Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende stelde in zijn aangifte inkomstenbelasting 2011 aftrek te mogen toepassen voor het verschil tussen de maximaal onbelast te vergoeden reiskosten en de daadwerkelijk ontvangen onbelaste reiskostenvergoeding uit eerdere dienstbetrekkingen. Tevens bracht hij terugbetaalde studiekosten uit 2008 als scholingsuitgaven in aftrek in 2011.
De Inspecteur wees deze aftrekposten af, waarop belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens in beroep ging bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Het hof bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. Het hof stelt dat aftrek van arbeidskosten in de inkomstenbelasting niet symmetrisch is met de loonbelastingvrijstelling voor vergoedingen en dat de wetgever dit in redelijkheid heeft mogen bepalen. Een beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen omdat de aftrek strijdig is met de juiste wetstoepassing en belanghebbende als professioneel fiscalist dit had moeten begrijpen.
Ten aanzien van de terugbetaalde studiekosten oordeelt het hof dat deze kosten drukken in het jaar van betaling (2008) en niet in 2011, omdat geen aanspraak op onvoorwaardelijke vergoeding bestond. Het hof bevestigt dat de aanslag over 2008 niet ter discussie staat, zodat daarover niet kan worden geoordeeld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.