Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats],
[geïntimeerde 2],wonende te [woonplaats],
[geïntimeerde 3],wonende te [woonplaats],
[geïntimeerde 4],
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer C/01/241964/HA ZA 12-81)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brieven van 28 en 29 januari 2015 toegezonden akte van de gemeente met producties (37 t/m40) en twee bij (fax)brief van 10 februari 2015 toegezonden producties van de zijde van de gemeente (genummerd 1 en 2). Al deze stukken zijn bij het pleidooi in het geding gebracht.
3.De beoordeling
Als het bestemmingsplan zoals bedoeld onder artikel 7 sub Pro 7 op uiterlijk een juli twee duizend acht niet onherroepelijk is en de onder dat artikel bedoelde woningen niet kunnen worden gerealiseerd, zal de gemeente een bedrag van respectievelijk driehonderdduizend euro (€ 300.000,00) en een bedrag van drie honderd vijf en zeventigduizend euro (€ 375.000,00) aan verkoper vergoeden. Mocht het betreffende bestemmingsplan na een juli tweeduizend acht worden goedgekeurd dan zal er door de gemeente een vergoeding worden voldaan zoals in artikel 7 sub Pro 8 aangegeven verhoogd met vier procent (4%) rente over de periode van een juli twee duizend acht tot het bestemmingsplan onherroepelijk is of totdat de gemeente genoemd bedrag betaalt.”
€ 34.000,00
enb) dat de woningen niet kunnen worden gerealiseerd. Indien het bestemmingsplan na 1 juli 2008 onherroepelijk wordt hoeft de gemeente enkel de 4% rente over genoemde bedragen te betalen totdat het bestemmingsplan onherroepelijk wordt, aldus de gemeente. Volgens haar kan [geïntimeerden c.s.] gelet op artikel 6:92 BW Pro niet zowel nakoming van het boetebeding als nakoming van de verplichting tot het realiseren van een onherroepelijk bestemmingsplan vorderen. [geïntimeerden c.s.] hebben niet aan de gemeente kenbaar gemaakt dat zij, indien er op 1 juli 2008 geen onherroepelijk bestemmingsplan zou zijn, een financieringsprobleem zouden hebben. De gemeente heeft door middel van de overgelegde processen-verbaal van voorlopig getuigenverhoor en de overige overgelegde schriftelijke stukken voldoende tegenbewijs geleverd. [geïntimeerden c.s.] wisten dat met het verstrekken van bouwbestemmingen beoogd werd te voorkomen dat geld uit de openbare kas zou moeten worden betaald. [geïntimeerden c.s.] hebben wel begrepen dat zij enkel op de vergoeding aanspraak konden maken indien duidelijk was dat de bouwbestemming definitief niet verleend zou kunnen worden. Dat was immers het karakter van de afgesproken garantie; dat alleen betaald zou worden indien geen bouwbestemmingen zouden worden gerealiseerd. Indien [geïntimeerden c.s.] de tekst van het beding anders zouden hebben opgevat, hadden zij dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst expliciet aan de gemeente kenbaar moeten maken. De gemeente zou nooit een fatale termijn als door [geïntimeerden c.s.] gesteld afspreken, omdat de gemeente geen invloed heeft op beslissingen door de provincie en de Raad van State, aldus de gemeente.
en de onder dat artikel bedoelde woningen niet kunnen worden gerealiseerd”houden naar het (voorshandse) oordeel van het hof niet een tweede, cumulatief op te vatten voorwaarde in, maar zien op de datum 1 juli 2008. Taalkundig is dat de meest voor de hand liggende betekenis, aangezien in de daaropvolgende zin de situatie wordt geregeld dat het bestemmingsplan
na1 juli 2008 onherroepelijk zou worden, in welk geval de gemeente volgens de letterlijke tekst eerdergenoemde vergoedingen (van € 300.000,-- en 375.000,--) is verschuldigd “
verhoogd(onderstreping door het hof)
met vier procent (4%) rente over de periode (…)”. Anders gezegd: indien de woorden “
en de onder dat artikel bedoelde woningen niet kunnen worden gerealiseerd”een tweede, cumulatieve voorwaarde zouden inhouden in die zin dat de vergoedingen pas door de gemeente worden verschuldigd indien op 1 juli 2008 het bestemmingsplan niet onherroepelijk is en
bovendienvaststaat dat de woningen definitief niet kunnen worden gerealiseerd, zou de regeling in de daaropvolgende zin onbegrijpelijk worden. In de taalkundige betekenis van die zin is de gemeente de vergoedingen immers ook verschuldigd indien de woningen toch kunnen worden gerealiseerd, zij het dan krachtens een bestemmingsplanwijziging van na 1 juli 2008.
hoe denkt de gemeente de vertraging die ontstaan is “op te lossen” richting [geïntimeerde 1]”) en 12 december 2008 (“
Met betrekking tot de termijnen van bestemmingsplan. In de overeenkomst is een termijn opgenomen als resultaatsverplichting. Deze termijn is niet gehaald en hierdoor heeft [geïntimeerde 1] schade geleden. Mijn idee is om tot een oplossing te komen zonder elkaar “aan te moeten spreken”) gezegd, dat [adviseur van geintimeerden c.s.] zo op eigen initiatief met de gemeente correspondeerde en daarbij niet precies voor ogen zal hebben gehad wat partijen precies hadden afgesproken.
[geïntimeerde 1] zal de vergoeding zoals opgenomen in verband met het eventueel niet kunnen realiseren van de woning aan de [locatie 2] pas ontvangen uiterlijk 1 oktober 2010” heeft [adviseur van geintimeerden c.s.] als getuige verklaard dat hij bij het opstellen van dat concept de oorspronkelijke overeenkomst van 2006 er niet bij had, dat hij het concept mailde aan de gemeente en aan [geïntimeerde 1] en dat laatstgenoemde hem toen heeft laten weten dat het niet klopte, dat het concept op een vrijdagmiddag naar aanleiding van een telefoontje is opgesteld en als praatstuk moest dienen en dat het daarom niet zo zorgvuldig in elkaar is gezet.
nietzouden komen (partijen gingen van het tegendeel uit), en evenmin op welk moment zeker zou zijn dat de gewenste bouwbestemmingen definitief niet zouden kunnen worden gerealiseerd.
Doorgaans stellen wij op basis van ervaringscijfers dat 20 % boven de gecorrigeerde vervangingswaarde nodig is voor verplaatsing. [geïntimeerde 1] accepteert dit niet en stelt dat het bedrag veel hoger is.”)
boetebedingen. [geïntimeerden c.s.] hebben aangevoerd dat de in het beding opgenomen vergoedingen geen werkelijke
boetebedingen zijn, welk verweer slaagt. Het hof gaat hierna (r.o. 3.5.3), bij de bespreking van grief 4, nader op dit punt in.
In de op 6 december 2006 gesloten overeenkomst is onder artikel 12 lid 8 een Pro boeteclausule opgenomen waarin staat dat er uiterlijk 1 juli 2008 de realisering van de woningen onherroepelijk moet zijn. Deze planning is (…) niet haalbaar. Hierdoor heb ik aan de familie [familie] gevraagd of zij bereid zijn deze datum schriftelijk op te schorten naar een later tijdstip en af te zien van het innen van de boeteclausule tot een nader overeen te komen datum.”
buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat” te worden aangemerkt. De overigens, nog afgezien van het gemotiveerde verweer van [geïntimeerden c.s.] dat deze financiële uitkomst in het geheel niet opweegt tegen het door [geïntimeerden c.s.] door de hele gang van zaken rond de verplaatsing geleden nadeel, in essentie door de gemeente voor matiging aangedragen argumenten (kort gezegd, wat [geïntimeerden c.s.] mocht verwachten) zijn reeds hiervoor in het kader van de uitleg van het beding besproken en verworpen.