Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/293793 KG ZA 15-36)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- het pleidooi van 29 september 2015, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brieven van 16 september en 18 september 2015 van mr. Oskamp toegezonden producties, die [appellant] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
“Overeenkomst van Geldlening tevens inhoudende verpanding van Vorderingen”gesloten. [appellant] treedt daarin op als geldgever en [voormalig echtgenote appellant] als geldnemer.
“niet beter wist dan dat [voormalig echtgenote appellant] over de gelden kon beschikken in het kader van de echtscheiding”.
Ik heb nooit beter geweten dan dat het geld van [voormalig echtgenote appellant]( [voormalig echtgenote appellant] , hof)
was, haar toebedeeld bij de scheiding. (..) Daarom vreesde [voormalig echtgenote appellant] dat hij beslag zou leggen op haar rekening bijvoorbeeld. Dat is de reden dat het geld tijdelijk op mijn rekening is gestald. Het klopt dat [appellant] aan de deur op 24 juni 2012 heeft gezegd dat [voormalig echtgenote appellant] geld van hem had. Ik had echter geen reden om te twijfelen aan de woorden van [voormalig echtgenote appellant] dat het van haar was. [appellant] wilde het bankpasje van [voormalig echtgenote appellant] hebben maar [voormalig echtgenote appellant] wilde dat niet geven.”Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [geïntimeerde] in gelijke zin verklaard.
“gooi maar weg”.[geïntimeerde] stelt dat hij nooit kennis heeft genomen van de inhoud van die fax.
Oja voor ik het vergeet goede zet van je om op 6 September om 21.52 uur jouw vuile was te faxen naar ’t kantoor van mijn Oom in [plaats] , ik heb gehoord dat iedereen daar de fax heeft gelezen en dat heel [plaats] nu weet wat voor persoon jij bent.”[geïntimeerde] heeft ten pleidooie in hoger beroep voor de inhoud van zijn e-mailbericht geen plausibele of afdoende verklaring kunnen geven (het zou om een grapje gaan). Aan dit e-mailbericht van [geïntimeerde] is bovendien een e-mailbericht voorafgegaan van [appellant] aan [geïntimeerde] van 24 september 2012 om 8:40 uur waarin [appellant] schrijft:
“De openbaarmaking van het pandrecht is u bekend, derhalve kunt u uitsluitend en allen rechtsgeldig en bevrijdend aan mij betalen.”[geïntimeerde] heeft niet betwist dat hij dit e-mailbericht van [appellant] heeft ontvangen.