Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
1. Inleiding
nieteen “officiële” hoorzitting.
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
- A) Vormt de overdrachtsbelasting als zodanig een verboden inbreuk op het recht van eigendom ingevolge het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) dan wel ingevolge artikel 1 van Pro het Eerste protocol bij het EVRM (het Eerste Protocol)?
- B) Vormt de beperking van de terugwerkende kracht van de tariefsverlaging een verboden inbreuk op het recht van eigendom in zojuist omschreven zin?
- C) Vormt de (beperking van de) terugwerkende kracht onbehoorlijke en daarom onverbindende wetgeving?
- D) Vormt de beperking van de terugwerkende kracht van de tariefsverlaging een verboden discriminatie in de zin van artikel 14 EVRM Pro dan wel artikel 26 IVBPR Pro dan wel enige andere vorm van het gelijkheidsbeginsel?
- E) Heeft belanghebbende recht op een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb?
4.Gronden
op zichzelfniet een verboden inbreuk op het eigendomsrecht vormt; dat betekent dat de onderhavige heffing, die immers tegen genoemd tarief van zes procent plaatsvond, evenmin een zodanige verboden inbreuk oplevert. Alleen bijzondere omstandigheden kunnen dat anders maken. Zo’n bijzondere omstandigheid is, zo stelt belanghebbende, de (beperking van de) terugwerkende kracht, die de kopers van woningen verdeelde in “boffers” (overdracht vond plaats na 15 juni 2011) en “pechvogels” (overdracht vond eerder plaats). Dit argument komt er dus op neer dat ten onrechte onderscheid zou worden gemaakt tussen de “boffers” en de “pechvogels”; het argument is dus in wezen een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Dat beroep is reeds verworpen door de Hoge Raad in de in 4.1 genoemde arresten.
5.Beslissing
- vernietigtde uitspraak van de Rechtbank,
- verklaarthet beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond
, - vernietigtde uitspraak op bezwaar inzake de voldoening op aangifte,
- verklaarthet bezwaar tegen de voldoening op aangifte ongegrond,
- steltde door de Inspecteur verbeurde dwangsom vast op € 1.260,
- gelastdat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze bij de Rechtbank en bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 160 vergoedt, en
- veroordeeltde Inspecteur tot vergoeding van de kosten van bezwaar en van de proceskosten aan de zijde van belanghebbende tot een bedrag van € 203.