Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante 1],wonende te [woonplaats],
[appellante 2],wonende te [woonplaats], Zwitserland,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele procedure staat centraal de vraag of een afwijzing van een ongedaanmakingsvordering, gericht op terugbetaling van teveel betaalde bedragen uit hoofde van een veroordeling, gezag van gewijsde toekomt. De zaak betreft de legitieme porties van twee zusters, die na het overlijden van hun vader aanspraak maakten op een deel van de erfenis.
De rechtbank had de legitieme porties vastgesteld en de erfgenaam veroordeeld tot betaling, waarbij later het hof Amsterdam het bedrag corrigeerde en bepaalde dat de erfgenaam wettelijke rente verschuldigd was vanaf een latere datum. Betwist werd of latere betalingen, gedaan na het arrest van het hof Amsterdam, in mindering moesten worden gebracht op het verschuldigde bedrag.
Het hof 's-Hertogenbosch overwoog dat het arrest van het hof Amsterdam niet volledig besliste over de terugbetaling van deze latere betalingen en dat de afwijzing van de ongedaanmakingsvordering niet betekent dat met deze betalingen geen rekening meer kan worden gehouden. Het hof bevestigde dat de vordering tot ongedaanmaking een sequeel is van de vernietiging en afwijzing van de oorspronkelijke vordering en dat een afzonderlijke procedure mogelijk blijft.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het uitvoerbaar bij voorraad en veroordeelde partijen in de proceskosten. De uitspraak verduidelijkt de uitleg van het gezag van gewijsde bij ongedaanmakingsvorderingen in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het uitvoerbaar bij voorraad en veroordeelt partijen in de proceskosten.