ECLI:NL:GHSHE:2002:AE4398
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.J. Koopman
- J.W. van der Voort
- A.C.J. Viersen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van kwijtschelding lening moedervennootschap en fiscale gevolgen
Belanghebbende, een structureel verlieslatende vennootschap, heeft beroep ingesteld tegen een aanslag vennootschapsbelasting over 1989, waarbij de Inspecteur de aanslag handhaafde na bezwaar. De kern van het geschil betreft de vraag of de door de moedervennootschap verstrekte gelden als lening of als informele kapitaalstorting moeten worden aangemerkt, en of de kwijtschelding van deze lening een vergoeding voor een dienst vormt.
Na vernietiging van een eerdere uitspraak door de Hoge Raad werd de zaak verwezen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het Hof stelt vast dat de moedervennootschap de gelden à fonds perdu verstrekte zonder uitzicht op terugbetaling, maar dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde om aan te tonen dat de lening waardeloos was. De Inspecteur stelde dat de kwijtscheldingen mogelijk een vergoeding voor een dienst waren, mede vanwege het niet onthullen van de identiteit van de uiteindelijke aandeelhouder.
Het Hof oordeelt dat belanghebbende niet slaagde in haar bewijsverplichting om de stellingen van de Inspecteur te weerleggen. De kwijtscheldingen kunnen niet worden aangemerkt als niet belastbare voordelen op grond van artikel 8, lid 1, onderdeel c, Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting blijft in stand.