ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ7118
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure
De zaak betreft een appellant van Pakistaanse afkomst die sinds 1996 in Nederland verblijft en een verblijfsvergunning heeft aangevraagd voor gezinshereniging. Na afwijzing en diverse bezwaar- en beroepsprocedures werd vastgesteld dat de Staat de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase met vier maanden heeft overschreden.
De appellant vorderde schadevergoeding wegens deze termijnoverschrijding, stellende dat dit onrechtmatig handelen van de Staat is. De rechtbank verklaarde de Staat schadeplichtig wegens overschrijding in de bezwaar- en beroepsprocedure, maar wees een vergoeding wegens overschrijding in de aanvraagfase en de procedure rond het verzoek om schadevergoeding af.
Het hof bevestigde dat artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing is op de aanvraagfase en dat het beginsel van rechtszekerheid ook buiten artikel 6 EVRM Pro geldt. Het hof oordeelde dat de Staat terecht aansprakelijk is wegens overschrijding in bezwaar en beroep, maar wees de vordering voor schadevergoeding wegens overschrijding in de aanvraagfase en de schadevergoedingsprocedure af.
De schadevergoeding werd vastgesteld op €500, aansluitend bij jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. De Staat werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding met wettelijke rente vanaf 20 juli 2005, alsmede in de proceskosten van eerste aanleg, terwijl de appellant in de kosten van hoger beroep werd veroordeeld.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure.