ECLI:NL:PHR:2013:BX8360
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige overheidsdaad door overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure
In deze zaak staat centraal of de Staat aansprakelijk is voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de aanvraag en bezwaarprocedures rondom een verblijfsvergunning. [Eiser], van Pakistaanse afkomst, diende in 1996 een aanvraag in voor gezinshereniging, welke in 2002 werd afgewezen. Na diverse bezwaar- en beroepsprocedures werd uiteindelijk vastgesteld dat de Staat de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase met vier maanden had overschreden.
Het hof veroordeelde de Staat tot een beperkte schadevergoeding wegens deze overschrijding, maar wees een vergoeding wegens de lange aanvraagfase af. De Hoge Raad bevestigt dat artikel 6 EVRM Pro uitsluitend ziet op procedures waarbij een onafhankelijk en onpartijdig gerecht is betrokken en dat de aanvraagfase nog geen geschil oplevert waarop dit artikel van toepassing is.
De Hoge Raad erkent wel dat het rechtszekerheidsbeginsel, dat mede aan artikel 6 EVRM Pro ten grondslag ligt, ook binnen het nationale recht geldt en dat overschrijding van wettelijke beslistermijnen in bijzondere omstandigheden onrechtmatig kan zijn. Echter, een aanspraak op schadevergoeding wegens overschrijding van de aanvraagfase kan niet worden gebaseerd op artikel 6 EVRM Pro, maar mogelijk wel op grond van onrechtmatige daad. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep wordt gevolgd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de aanvraagfase, maar overschrijding van redelijke termijnen kan leiden tot schadeplichtigheid op grond van het rechtszekerheidsbeginsel.