ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6651
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure en schadevergoeding
Appellant diende in 2001 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor arbeid, welke in 2003 werd afgewezen. Na bezwaar en beroep werd de bezwaarprocedure in 2005 afgerond, gevolgd door een tweede aanvraag in 2006 voor medische behandeling, die eveneens werd afgewezen na bezwaar en beroep.
Appellant vorderde schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in beide procedures. De rechtbank wees de vordering af, waarna appellant hoger beroep instelde. Het hof bevestigt dat artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing is op vreemdelingenprocedures, maar dat het rechtszekerheidsbeginsel ook binnen de nationale rechtsorde een redelijke termijn vereist.
Het hof oordeelt dat de beroepsfase meegeteld moet worden bij de beoordeling van de redelijke termijn, ook als het beroep is ingetrokken. De totale termijn voor bezwaar en beroep samen mag in beginsel niet langer dan drie jaar duren. In deze zaak is die termijn niet overschreden. De grief faalt en het hof bekrachtigt het vonnis, veroordeelt appellant in de proceskosten en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.