ECLI:NL:GHSGR:2007:BC1041

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
2 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
005675-06
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
  • Stoker-Klein
  • Kaptein
  • Van Oven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 SvArt. 90 SvArt. 136 lid 1 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en toekenning schadevergoeding voor onrechtmatige uitleveringsdetentie en voorarrest

De verdachte werd op 1 juni 1999 aangehouden vanwege een internationale signalering door Nederlandse autoriteiten en vervolgens op 14 juni 1999 werd een verzoek tot uitlevering ingediend. Na een eerdere vrijspraak door het hof in 2005, vroeg de verdachte in 2006 om een schadevergoeding voor de periode van uitleveringsdetentie, verzekering en voorlopige hechtenis.

Het hof oordeelde dat ook de periode van vrijheidsbeneming in het buitenland voorafgaand aan het uitleveringsverzoek, die volgens artikel 90 lid 2 Sv Pro onder billijkheid valt, voor vergoeding in aanmerking komt. De verdachte verbleef in totaal 108 dagen in uitleveringsdetentie en 351 dagen in voorarrest in Nederland. Voor deze dagen kent het hof een vergoeding toe op basis van een vaste dagvergoeding, waarbij een totaalbedrag van €32.180,- werd vastgesteld.

De advocaat-generaal had primair tot afwijzing van het verzoek geconcludeerd, maar het hof vond toekenning billijk gezien de omstandigheden en het onherroepelijke vrijspraakarrest. Het verzoek wordt dan ook gedeeltelijk toegewezen, met een duidelijke motivering omtrent de hoogte en reikwijdte van de vergoeding.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken en krijgt een schadevergoeding van €32.180 toegekend voor onrechtmatige uitleveringsdetentie en voorarrest.

Uitspraak

AV-nummer 005675-06
datum uitspraak 2 november 2007
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
meervoudige raadkamer
BESCHIKKING
gegeven naar aanleiding van een ter griffie van dit gerechtshof ingekomen verzoekschrift, op grond van artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering ingediend door:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittanië) op [geboortedag] 1972,
in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. P.J. Hoogendam, aan de Jacob Mosselstraat 2 te 's-Gravenhage.
Procesgang
Dit gerechtshof heeft bij arrest van 15 juli 2005 met rolnummer 2200422803 het vonnis van de rechtbank van de rechtbank te 's-Gravenhage van 20 februari 2001 in de strafzaak tegen de verzoeker met parketnummer 09/927132-99 vernietigd en hem vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde.
Dit arrest is inmiddels onherroepelijk geworden.
De verzoeker heeft vervolgens bij een op 18 augustus 2006 ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift gevraagd om toekenning van een schadevergoeding van € 81.000,- ter zake van de door hem in zijn strafzaak ondergane uitleveringsdetentie, verzekering en voorlopige hechtenis.
Het hof heeft het verzoek in het openbaar op 19 oktober 2007 in raadkamer behandeld. In raadkamer zijn gehoord de advocaat van de verzoeker, mr. P.J. Hoogendam, en de advocaat-generaal, mr. Van Fessem.
De verzoeker is - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet in raadkamer verschenen, omdat hij in Groot-Brittanië woont.
De advocaat-generaal heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot gedeeltelijke toewijzing daarvan.
Beoordeling van het verzoek
De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing, die hem op grond van artikel 89, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op toekenning van een vergoeding voor de schade, die hij heeft geleden als gevolg van de door hem ondergane verzekering en voorlopige hechtenis. Op grond van artikel 89 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan de verzoeker daarbij ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming die hij in het buitenland heeft ondergaan, in verband met een door Nederlandse autoriteiten gedaan verzoek om uitlevering.
Ingevolge het hier toepasselijke artikel 90, eerste lid, Wetboek van Strafvordering heeft toekenning van die schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van het hof, alle omstandig-heden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De verzoeker is vrijgesproken en het hof acht toekenning van een schadevergoeding in dit geval billijk. Met betrekking tot de hoogte van de schadevergoeding overweegt het hof het volgende.
De verzoeker is op 1 juni 1999 aangehouden, omdat hij kennelijk door toedoen van de Nederlandse autoriteiten internationaal als ‘gezocht’ stond gesignaleerd. Een andere aanleiding voor diens aanhouding is immers niet gebleken. Vervolgens hebben de Nederlandse autoriteiten op 14 juni 1999 het verzoek om uitlevering gedaan.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de letter van de wet niet de mogelijkheid biedt om voor die eerste twee weken een vergoeding toe te kennen. Nu evenwel een andere reden tot de aanhouding van de verzoeker niet is gebleken en de hoogte van de vergoeding in dat geval van de eventuele voortvarendheid bij het doen van een uitleveringsverzoek zou afhangen, acht het hof het uitgangspunt van de advocaat-generaal niet billijk. Het voorschrift van artikel 90 lid 2 Sv Pro dient derhalve - gezien de strekking van dat artikel - zo te worden verstaan, dat daar óók de vrijheidsbeneming in het buitenland onder valt, die wordt ondergaan in verband met een door Nederlandse autoriteiten vermelde signalering in het opsporingsregister, waarna de Nederlandse autoriteiten een verzoek om uitlevering doen.
Van 16 september 1999 tot 6 december 1999 is de verzoeker op borgtocht onder voorwaarden in Engeland vrij geweest. Tijdens die periode is niet gebleken van schorsings-voorwaarden die zijn vrijheid zodanig hebben beperkt,
dat het billijk zou zijn om voor deze periode een schadevergoeding toe te kennen.
Vervolgens heeft de verzoeker van 6 tot 7 december 1999 weer in Engeland in uitleveringsdetentie verbleven en daarna heeft zijn voorarrest in Nederland van 7 december 1999 tot 22 november 2000 geduurd.
De verzoeker heeft derhalve in totaal 108 volle dagen in uitleveringsdetentie verbleven en 351 volle dagen in voorarrest in Nederland, waarvan twee volle dagen op het politiebureau. Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig om aan de verzoeker voor die dagen een schadevergoeding toe te kennen.
Voor de berekening van de geleden immateriële schade zal het hof een vergoedingsmaatstaf hanteren van € 95,- voor iedere volle dag die de verzoeker in een politiecel of
in beperkingen in het Huis van Bewaring heeft doorge-bracht en een bedrag van € 70,- voor iedere dag die de verzoeker niet in beperkingen in het Huis van Bewaring heeft doorgebracht, met inbegrip van de dag van aanvang. Op grond van artikel 136 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering wordt de dag van invrijheidstelling niet vergoed. Een dag die begint op basis van een vergoedingsmaatstaf van € 95,- maar die overgaat in een dag met een vergoedingsmaatstaf van € 70,- merkt het hof aan als een volle dag tegen een vergoedingsmaatstaf van
€ 70,-. Voor vergoeding van een hoger bedrag ziet het hof in het door de raadsman daartoe aangevoerde en ook overigens geen aanleiding.
Op grond van het vorenstaande kent het hof aan de verzoeker een schadevergoeding toe van 2 x € 95,- en 457 x € 70,-, derhalve in totaal een bedrag van € 32.180,-.
Gelet op het voorgaande dient het verzoek te worden toegewezen als volgt.
Beslissing
Het hof:
Wijst het verzoek toe met dien verstande dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal
€ 32.180,-(zegge TWEEËNDERTIGDUIZEND HONDERDTACHTIG EURO).
Wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door
mr. Stoker-Klein, vice-president tevens voorzitter,
mrs. Kaptein en Van Oven, raadsheren,
in bijzijn van de griffier mr. Daino-Postma,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 november 2007.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.