ECLI:NL:GHLEE:2012:BW1994
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake verzet minderjarigen tegen terugkeer naar Noorwegen op grond van Haags Kinderontvoeringsverdrag
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Groningen die de terugkeer van twee minderjarige kinderen naar Noorwegen gelastte. De kinderen waren door de vader ongeoorloofd overgebracht naar Nederland, waar zij inmiddels wonen. De moeder verzocht via de Centrale Autoriteit om teruggeleiding van de kinderen naar Noorwegen.
Het hof stelt vast dat de kinderen ten tijde van hun vertrek uit Noorwegen hun gewone verblijfplaats daar hadden en dat beide ouders het gezag uitoefenden. De overbrenging zonder toestemming van de moeder kwalificeert als ongeoorloofd volgens het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Normaal gesproken zou terugkeer gelast moeten worden, tenzij een uitzondering van artikel 13 lid 2 van Pro het verdrag van toepassing is.
De minderjarige [kind 1] heeft zich duidelijk en met voldoende rijpheid tegen terugkeer verzet, waarbij het hof haar mening meeweegt. Het hof oordeelt dat het verzet gegrond is vanwege ernstige vertrouwensproblemen en de vrees voor een pleegplaatsing in Noorwegen. Er is geen sprake van ouderverstoting door de vader. Ook [kind 2] verzet zich, maar haar verzet wordt niet als uitzonderingsgrond erkend. Omdat de kinderen een hechte band hebben, wijst het hof ook terugkeer van [kind 2] af.
Het hof acht terugkeer van de vader met de kinderen naar Noorwegen niet realistisch vanwege woon- en werkproblemen. Dit verhoogt het risico op een pleegplaatsing, wat het verzet van [kind 1] versterkt. Daarom vernietigt het hof de eerdere beschikking en wijst het verzoek tot terugkeer af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder om terugkeer van de minderjarigen naar Noorwegen af vanwege het gegrond verklaarde verzet van de kinderen.