ECLI:NL:GHDHA:2026:75
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning inclusief garage ondanks bezwaar belanghebbende
Belanghebbende is eigenaar van een woning met een vrijstaande garage op een apart kadastraal perceel. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2022 vast op €516.000 inclusief garage. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de waarde en stelde dat de garage apart gewaardeerd moest worden en dat de waarde te hoog was vastgesteld.
De Rechtbank wees het beroep ongegrond maar kende belanghebbende een vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende ging in hoger beroep en voerde aan dat de heffingsambtenaar niet aan zijn toezendplicht had voldaan en dat de waarde onjuist was vastgesteld.
Het Hof oordeelde dat de garage als onderdeel van de onroerende zaak moet worden beschouwd volgens artikel 16 Wet Pro WOZ en dat de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk had gemaakt met een waardematrix en vergelijkingsobjecten. De door belanghebbende aangevoerde referentiematrix onderbouwde geen lagere waarde. De toezendplicht was niet geschonden omdat de heffingsambtenaar geen gebruik maakte van KOUDV-factoren, liggingsfactoren of grondstaffels.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is op 22 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde van €516.000 inclusief garage en verklaart het hoger beroep ongegrond.