Belanghebbende is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag die de ambtshalve vastgestelde erfbelastingaanslag heeft verminderd tot een bedrag van € 26.449. De Inspecteur had eerder een hogere aanslag opgelegd, die na bezwaar en rechtbankuitspraak werd verminderd. Belanghebbende stelde dat hij cruciale informatie miste over de omstandigheden rond het overlijden van erflater en dat een broer onwaardig zou zijn om te erven, wat volgens hem invloed zou moeten hebben op de aanslag.
Het Hof heeft het verzoek om uitstel van de zitting afgewezen omdat de redenen van belanghebbende onvoldoende gewicht hadden en de zittingsdatum tijdig bekend was. Ook is het verzoek om terugwijzing naar de Rechtbank afgewezen. De stelling dat een erfgenaam onwaardig is om te erven is verworpen wegens gebrek aan bewijs. Daarnaast is geoordeeld dat advocaatkosten niet in mindering kunnen worden gebracht op de nalatenschap.
Het Hof bevestigt dat de omvang van de nalatenschap juist is vastgesteld en dat de aanslag terecht is gebaseerd op de wettelijke verdeling van de nalatenschap. De belastingrente is eveneens terecht in rekening gebracht. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.