Deze civiele procedure betreft zes effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia Nederland B.V. en geïntimeerde, waarbij in hoger beroep alleen de overeenkomsten III en IV centraal staan. De kern van het geschil is of Dexia wist of behoorde te weten dat een tussenpersoon zonder vereiste vergunning beleggingsadvies gaf aan geïntimeerde, waardoor Dexia onrechtmatig zou hebben gehandeld.
De feiten, onbestreden in hoger beroep, tonen aan dat de tussenpersoon gepersonaliseerd advies gaf over het Triple Effect-product, toegespitst op de financiële situatie en wensen van geïntimeerde. Dexia betwistte haar wetenschap hierover, maar het hof oordeelde dat Dexia door haar bedrijfsmatige opzet en de aard van de tussenpersoon had moeten weten dat vergunningplichtig advies werd gegeven.
Het hof verwierp het bewijsaanbod van Dexia wegens onvoldoende gemotiveerde betwisting en concludeerde dat Dexia onrechtmatig handelde door effectenleaseovereenkomsten te sluiten via een niet-vergunde adviseur. Dexia werd veroordeeld in de proceskosten en het bestreden vonnis werd bekrachtigd. De schadevergoeding kan door partijen zelf worden berekend.