ECLI:NL:GHDHA:2026:388

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
Bk-24/1010 en BK-24/1011
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 4:145 BWArt. 44 AWRArt. 72 SWArt. 26a AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken geldige machtiging executeur in erfbelastingzaak

Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag erfbelasting opgelegd wegens een aanvullende verkrijging. De executeur [Y] diende bezwaar en beroep in namens belanghebbende, maar overlegde geen geldige schriftelijke machtiging. De Rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een geldige volmacht.

In hoger beroep stelde het Gerechtshof vast dat de verklaring van executele onvoldoende bewijs is van vertegenwoordigingsbevoegdheid, omdat belanghebbende geen erfgenaam is en de executeur alleen bevoegd is tot beheer van de nalatenschap, niet tot procederen over navorderingsaanslagen. Het Hof gaf [Y] meerdere kansen om een recente machtiging te overleggen, maar deze bleef uit.

Daarom verklaarde het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is op 17 februari 2026 in het openbaar gedaan en partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging van de executeur.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-24/1010 en BK-24/1011

Uitspraak van 17 februari 2026

in het geding tussen:
[Y] , beweerdelijk namens [X] ,woonachtig in [Z] (belanghebbende),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het door [Y] ingediende hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 oktober 2024, nummers SGR 24/1998 en SGR 24/6860.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is wegens een belaste verkrijging van € 6.987 een navorderingsaanslag in de erfbelasting opgelegd van € 2.096 (de navorderingsaanslag). Daarbij is bij beschikking € 299 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking).
1.2.
[Y] heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de navorderingsaanslag en de beschikking.
1.3.
De Inspecteur heeft de navorderingsaanslag en de beschikking bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging en van gronden.
1.4.
[Y] heeft een beroepschrift ingediend tegen de uitspraken op bezwaar. In verband daarmee is een griffierecht van € 51 geheven. De Rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging.
1.5.
[Y] heeft een hogerberoepschrift ingediend. In verband daarmee is een griffierecht van € 138 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en op 31 oktober 2025 een nader stuk.
1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 november 2025, gehouden te Den Haag. Ter zitting zijn tevens behandeld de zaken met de nummers BK-24/1001 ( [A] ), BK-24/1003 ( [B] ) en BK-24/1012 ( [C] ) . Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Mevrouw [erflaatster] (erflaatster) is op [datum] 2014 is overleden. Erflaatster heeft bij testament van 3 april 2014 [Y] aangewezen als executeur-testamentair, [C] , [Y] , [D] en [E] benoemd tot haar erfgenamen en gelegateerd aan onder meer [A] en [B] .
2.2.
Het testament vermeldt onder meer:
“VI. EXECUTELE
1.
Benoeming executeurs
Ik benoem tot executeurs over mijn nalatenschap, gedurende-de tijd voor de afwikkeling daarvan vereist de heer [E] , voornoemd, en de heer [Y] , voornoemd. (…)
Zijn er twee of meer executeurs dan kan ieder van hen alle werkzaamheden alleen verrichten.
(…)
3.
Omvang executele
De executele omvat alle goederen en schulden die tot mijn nalatenschap behoren..
(…)
5.
Beheer
lk draag de executeurs op mijn nalatenschap te beheren, vorderingen te innen en de schulden van mijn nalatenschap te voldoen, waaronder de door mij gemaakte legaten, de ten laste van mijn erfgenamen en legatarissen komende successierechten, de kosten van lijkbezorging en de taxatie- en boedelkosten. De executeurs kunnen ook als wederpartij van zichzelf optreden.
6.
Vertegenwoordiging
Gedurende zijn beheer vertegenwoordigen de executeurs bij de vervulling van hun taak de erfgenamen in en bulten rechte.
7.
Beschikking
De erfgenamen kunnen niet zonder medewerking van de executeurs (of machtiging van de kantonrechter) over de goederen of hun aandeel daarin beschikken, voordat de bevoegdheid tot beheer van de executeurs is geëindigd. De executeurs zijn slechts tezamen met de erfgenamen bevoegd tot andere handelingen dan beheershandelingen.
(…)
14.
Einde executele
De taak van de executeurs eindigt:
a. wanneer zij hun werkzaamheden als zodanig hebben voltooid;
b. door hun dood, onder curatele stelling, onder bewindstelling van een of meer van hun goederen als bedoeld in titel 19 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
c. door ontslag door de kantonrechter,
d. door hun faillietverklaring, verlening van surseance van betaling of een schuldsanering;
e. wanneer de nalatenschap overeenkomstig de wet moet worden vereffend.”
2.3.
In de aangifte erfbelasting is afgeweken van de testamentaire verdeling omdat in een civiele procedure over de verdeling van de boedel een nieuwe verdeling is overeengekomen (de nieuwe verdeling). Deze verdeling is vastgelegd in de beschikking van de Rechtbank Den Haag (team handel) van 31 maart 2016, zaaknummer C10914894311 HA ZA 15- 638 (door partijen aangeduid als “vaststellingsovereenkomst”). Op basis van de nieuwe verdeling is namens belanghebbende aangifte gedaan naar een erfdeel van 10/100 (de aangifte).
2.4.
Bij het vaststellen van de definitieve aanslag erfbelasting is afgeweken van de aangifte. Deze aanslag is vastgesteld overeenkomstig de testamentaire verkrijging.
2.5.
Bij uitspraak op het bezwaar is het bezwaar tegen de aanslag en de beschikking niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging en van gronden. Tevens heeft de Inspecteur aangekondigd dat conform de nieuwe verdeling aan belanghebbende een navorderingsaanslag zal worden opgelegd voor de aanvullende verkrijging van 10/1000e in de nalatenschap.
2.6.
De navorderingaanslag is opgelegd naar een belaste verkrijging van € 6.987, resulterend in een belastingbedrag van € 2.096 ((10/1000*€ 698.761)*30%) en tevens is € 299 belastingrente in rekening gebracht.
2.7.
[Y] heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag en de beschikking. De Inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet overleggen van een geldige volmacht en het niet motiveren van het bezwaarschrift.
2.8.
De Rechtbank heeft de beroepen van [Y] niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige volmacht.
2.9.
[Y] heeft op 10 december 2024 een hogerberoepschrift ingediend tegen de uitspraak van de Rechtbank. Hij heeft daarbij een verklaring van executele gevoegd. Deze vermeldt voor zover van belang het volgende:
“3. Executele: de executeur
Bij gemelde uiterste wil heeft de overledene tot executeur benoemd (…) en de heer (…) [Y] (…) De heer (…) heeft de benoeming niet aanvaard. De heer (…) [Y] , voornoemd, heeft verklaard te benoeming te aanvaarden (…).
4. Bevoegdheden executeur
De executeur heeft ingevolge de wet en ingevolge de (…) uiterste wilsbeschikking de taak en de bevoegdheid de nalatenschap te beheren. Hij is bevoegd de door hem beheerde goederen te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de tot zijn taak behorende voldoening van schulden der nalatenschap. De executeur behoeft voor de tegeldemaking van een goed geen toestemming van de erfgenamen. Gedurende zijn beheer vertegenwoordigt de executeur bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte.
5. Beschikkingsbevoegdheid
Mitsdien is de heer [Y] , voornoemd, handelend in zijn hoedanigheid van executeur zelfstandig bevoegd de nalatenschap te beheren overeenkomstig het vorenstaande.”
2.10.
Bij per aangetekende post verzonden berichten van het Hof van 13 december 2024 en 19 maart 2025 is [Y] verzocht een op zijn naam gestelde machtiging in te dienen, voorzien van een dagtekening, die niet ouder is dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift. Hierbij is vermeld: “Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt.” [Y] heeft bij brieven van 10 januari 2025 en 16 april 2025 verzocht om verlenging van de gegeven termijn. De termijn is verlengd bij bericht van 14 januari 2025 en bij bericht van 17 april 2025, gericht aan het adres van [Y] , [adres] . Het per aangetekende post verzonden bericht van 17 april 2025 is volgens informatie van PostNL op 18 april 2025 door [Y] ontvangen.
2.11.
Het Hof heeft geen recente gedagtekende machtiging ontvangen.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Geschil
4. Alvorens toe te komen aan de beoordeling van de geschilpunten, toetst de rechtbank of het beroep ontvankelijk is.
5. Artikel 8:24, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:
“1. Partijen kunnen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.
2. De bestuursrechter kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten.”
6. Artikel 72 van Pro de Successiewet 1956 (SW) luidt als volgt:
“1. Executeurs van nalatenschappen zijn, op gelijke wijze als de erfgenamen, tot vervulling
van al de bij deze wet opgelegde verplichtingen gehouden.
2. Door de rechter benoemde vereffenaars van nalatenschappen zijn gehouden tot al de bij
deze wet aan erfgenamen opgelegde verplichtingen.”
7. De rechtbank stelt voorop dat [Y] geen advocaat is. Hij heeft geen schriftelijke machtiging overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij eiser vertegenwoordigt. In zoverre kleeft aan het beroepschrift een gebrek. De stelling van [Y] dat hij niet gehouden is om een machtiging te overleggen omdat hij in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflaatster bevoegd is om de erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen, treft geen doel. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de executeur betreft immers enkel het beheer van de nalatenschap. Het al dan niet procederen over een navorderingsaanslag erfbelasting behoort daar niet toe. Ook uit artikel 72 Sw Pro volgt geen vertegenwoordigingsbevoegdheid. Op grond van die bepaling gelden voor executeurs dezelfde verplichtingen als voor erfgenamen. Het maken van bezwaar of instellen van beroep betreft niet een dergelijke verplichting.[1]
8. Bij brief van 30 september 2024 heeft [Y] te kennen gegeven dat het hem niet is gelukt om de machtiging te verkrijgen. [Y] heeft niet tijdig de vereiste machtiging overgelegd. De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. De geschilpunten behoeven geen behandeling meer.
9. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
(…)
[1] In vergelijkbare zin met betrekking tot de bevoegdheden van de vereffenaar in een nalatenschap: HR 7 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:741.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
Het Hof beoordeelt allereerst ambtshalve of het door [Y] beweerdelijk namens belanghebbende ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Specifiek is aan de orde de vraag of [Y] bevoegd is om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen.
4.2.
Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, is vervolgens in geschil of de Rechtbank de beroepen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.3.
[Y] concludeert – naar het Hof begrijpt – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur.
4.4.
De Inspecteur concludeert – naar het Hof begrijpt – tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep

5.1.
Op grond van artikel 8:24, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter een schriftelijke machtiging verlangen van een gemachtigde die geen advocaat is, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is.
5.2.
Als reeds een machtiging is overgelegd, maar aanleiding bestaat om te twijfelen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid ten tijde van het instellen van het (hoger) beroep, kan op die grond een nieuwe machtiging worden verlangd (vgl. Hoge Raad 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840).
5.3.
Het dossier bevat naast een in hoger beroep ingediende verklaring van executele, geen machtiging van belanghebbende. Om die reden is reeds het bezwaar in de procedure tegen de (primitieve) aanslag niet-ontvankelijk verklaard (zie 2.5). [Y] is desondanks verdergegaan met procederen op naam van belanghebbende.
5.4.
[Y] stelt zich op het standpunt dat de verklaring van executele toereikend is om te mogen procederen namens belanghebbende. Deze stelling treft geen doel. Op grond van artikel 4:145, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek en het testament was [Y] gedurende zijn beheer van de nalatenschap bij de vervulling van zijn taak bevoegd de erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Ingevolge artikel 44, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de executeur in bepaalde gevallen de rechtverkrijgenden onder algemene titel vertegenwoordigen. Belanghebbende is echter geen erfgenaam; hij is in het geheel niet in het testament genoemd. Reeds daarom is de verklaring van executele geen toereikend bewijs dat [Y] bevoegd is om belanghebbende te vertegenwoordigen in deze procedure. Ook uit artikel 72 van Pro de Successiewet 1956 volgt geen vertegenwoordigingsbevoegdheid voor de executeur.
5.5.
Het Hof heeft [Y] in de onderhavige procedure tweemaal verzocht een recente gedagtekende machtiging in te dienen en hem daarbij een termijn gegeven. Het heeft [Y] op zijn verzoek zelfs tweemaal een extra termijn gegeven. Daarbij is [Y] steeds erop gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als aan het verzoek geen gevolg wordt gegeven. [Y] heeft desondanks ook in hoger beroep geen recente gedagtekende machtiging overgelegd.
5.6.
Nu geen gevolg is gegeven aan het verzoek en [Y] is gewezen op het mogelijke gevolg van het niet verstrekken van een recente machtiging, namelijk niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, wordt aan het uitblijven van een recente machtiging de gevolgtrekking verbonden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is (zie HR 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558).
5.7.
Aangezien [Y] niet bevoegd was om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen, is het door [Y] beweerdelijk namens belanghebbende ingestelde hoger beroep in deze procedure niet-ontvankelijk. Indien het hoger beroep geacht moet worden te zijn ingesteld door [Y] zelf, leidt dat ook tot een niet-ontvankelijk hoger beroep. [Y] kan immers geen hoger beroep voor zichzelf instellen, reeds omdat de navorderingsaanslag en de beschikking niet aan hem zijn opgelegd respectievelijk gegeven (artikel 26a, lid 1, onderdelen a en c, AWR) en in het voorwerp van de belasting waarop de navorderingsaanslag betrekking heeft geen inkomens- of vermogensbestanddelen van hem zijn begrepen (artikel 26a, lid 2, AWR).
5.8.
Gelet op het voorgaande is het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, R.A. Bosman en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.