ECLI:NL:GHDHA:2026:383

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
200.348.457/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Dexia door vergunningplichtige advisering effectenlease via tussenpersoon

Deze civiele zaak betreft twee effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia en [geïntimeerde], tot stand gekomen via een tussenpersoon zonder de vereiste vergunning voor beleggingsadvies. [geïntimeerde] vordert dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en schadevergoeding moet betalen.

Het hof verwijst naar de onbestreden feiten van de rechtbank en beoordeelt in hoger beroep of de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven en of Dexia hiervan op de hoogte was of had moeten zijn. Uit de feiten blijkt dat de tussenpersoon gepersonaliseerd advies gaf, waarbij rekening werd gehouden met de persoonlijke financiële situatie van [geïntimeerde]. Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon zonder vergunning adviseerde.

Dexia voerde verweer dat zij niet wist van vergunningplichtige advisering en dat zij niet verplicht was dit te onderzoeken. Het hof oordeelt dat Dexia door haar bedrijfsmatige opzet en de aard van de samenwerking met tussenpersonen had moeten nagaan of er vergunningplichtig advies werd gegeven. Dexia mocht haar ogen niet sluiten en draagt het risico van haar nalatigheid.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en veroordeelt Dexia tot vergoeding van de schade van [geïntimeerde]. Tevens wordt Dexia veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De berekening van de schade wordt aan partijen overgelaten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en veroordeelt haar tot volledige schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.348.457/01
Zaaknummer rechtbank: : 10272721 EL 23-1
Arrest van 24 maart 2026
in de zaak van:
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Dordrecht, van 15 augustus 2024 (hierna: het bestreden vonnis).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord met producties;
  • de akte uitlaten producties van Dexia;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde] .
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
Deze zaak gaat over de twee effectenleaseovereenkomsten [contractnummer 1] en [contractnummer 2] . Deze overeenkomsten zijn tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via de tussenpersoon [tussenpersoon] . Voornoemde overeenkomsten zullen afzonderlijk ook wel worden aangeduid als ‘Effectenleaseovereenkomst I’, respectievelijk ‘Effectenleaseovereenkomst II’ en tezamen als ‘de Effectenleaseovereenkomsten’. Aan de orde is de vraag of [geïntimeerde] is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
[geïntimeerde] heeft gevorderd, voor zover in hoger beroep nog van belang, dat de kantonrechter voor recht verklaart dat:
i. Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten tegenover [geïntimeerde] , en
ii. [geïntimeerde] schade heeft geleden als gevolg van dit onrechtmatig handelen, die Dexia gehouden is te vergoeden.
[geïntimeerde] heeft voorts gevorderd dat de kantonrechter Dexia veroordeelt, alles te vermeerderen met de wettelijke rente:
iii. tot voldoening aan [geïntimeerde] van al datgene wat [geïntimeerde] onder de Effectenleaseovereenkomsten heeft betaald;
iv. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, en
v. in de proceskosten.
3.3.
Dexia heeft verweer gevoerd en een tegenvordering ingesteld. Dexia heeft in reconventie gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia aan al haar verplichtingen onder de Effectenleaseovereenkomsten heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
3.4.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] (met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten) in conventie toegewezen en de vorderingen van Dexia in reconventie afgewezen. De kantonrechter heeft Dexia in de proceskosten veroordeeld in zowel conventie als reconventie.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder 2 (‘De feiten’). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] en tot het alsnog toewijzen van haar reconventionele vordering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
4.3.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
Juridisch kader
4.4.
Dexia handelt als aanbieder van effectenleaseovereenkomsten ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde] , [tussenpersoon] als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang. [1]
Advisering
4.5.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. [2]
4.6.
[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop [tussenpersoon] in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten, onder “De feitelijke gang van zaken” in de inleidende dagvaarding. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer.
Effectenleaseovereenkomst I
4.7.
[geïntimeerde] heeft [tussenpersoon] in juni 1999 telefonisch benaderd, omdat zij geadviseerd wilde worden over het afsluiten van een krediet. Hierop heeft telefonisch een adviesgesprek plaatsgevonden met een adviseur van [tussenpersoon] . Voorafgaande aan dit gesprek had de betrokken adviseur aan [geïntimeerde] een folder gestuurd over de mogelijkheden om een krediet af te sluiten. Tijdens dit gesprek is besproken dat [geïntimeerde] (extra) vermogen wenste op te bouwen, met welk doelen en welke middelen [geïntimeerde] daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan is [geïntimeerde] door de adviseur van [tussenpersoon] geadviseerd om een krediet in combinatie met het specifieke effectenleaseproduct (te weten: het Direct Rendement Effect) van Dexia af te nemen. Dit product was volgens de adviseur van [tussenpersoon] geschikt voor de situatie van [geïntimeerde] . Om de doelen van [geïntimeerde] te kunnen behalen, heeft de adviseur [geïntimeerde] geadviseerd een krediet van ongeveer ƒ 55.000,- af te sluiten. Hieraan werd wel de voorwaarde gesteld dat [geïntimeerde] een levensverzekering bij [bedrijf] afsloot. De adviseur heeft zijn verhaal kracht bijgezet aan de hand van een prognose die naar [geïntimeerde] is opgestuurd. [geïntimeerde] heeft op de deskundigheid van de adviseur vertrouwd en zijn advies opgevolgd. Op voornoemde wijze is Effectenleaseovereenkomst I tot stand gekomen, aldus [geïntimeerde] .
Effectenleaseovereenkomst II
4.8.
[geïntimeerde] heeft enkele maanden later, in oktober 1999, weer contact opgezocht met de adviseur van [tussenpersoon] . [geïntimeerde] had extra geld nodig en wilde advies over het afsluiten van een extra krediet. Vervolgens heeft wederom een telefonisch adviesgesprek plaatsgevonden. Tijdens dit adviesgesprek vroeg de adviseur naar de financiële wensen en omstandigheden van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft de adviseur kenbaar gemaakt dat geld wilde lenen en voor welk doel (om haar bruiloft te betalen). Het eerder afgesloten krediet is eveneens ter sprake gekomen. Naar aanleiding hiervan heeft de adviseur [geïntimeerde] geadviseerd om een nieuw krediet in combinatie met een specifiek effectenleaseproduct (te weten: het Direct Rendement Effect) van een specifieke aanbieder af te sluiten. De adviseur heeft [geïntimeerde] deze constructie voorgehouden als geschikt voor haar situatie. Voor het afsluiten van dit krediet gold eveneens de voorwaarde dat [geïntimeerde] een levensverzekering bij [bedrijf] moest afsluiten. [geïntimeerde] vertrouwde op de deskundigheid van de adviseur en heeft het advies van de adviseur opgevolgd. Onder voornoemde feiten en omstandigheden is Effectenleaseovereenkomst II aangegaan, aldus nog steeds [geïntimeerde] .
4.9.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en [tussenpersoon] is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door de tussenpersoon aan [geïntimeerde] betrokken is geweest. Dexia betoogt dat uit de blote – en overigens ook onjuiste – stellingen van [geïntimeerde] en de overgelegde producties niet volgt dat [tussenpersoon] vergunningplichtig advies heeft uitgebracht aan [geïntimeerde] . Dexia wijst op de verlopen tijdsduur en op het feit dat afnemer al geruime tijd juridische bijstand genoot, voordat hij voor het eerst de stelling heeft ingenomen dat er geadviseerd is. Dexia meent dat deze omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing vormen voor de onjuistheid van de stellingen van [geïntimeerde] . Dexia stelt dat het onjuist is dat tussenpersonen altijd een gepersonaliseerde aanbeveling deden, omdat dat er inmiddels overvloedig bewijs is dat zij veelvuldig een geheel andere werkwijze hanteerden die niet is aan te merken als het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van [tussenpersoon] bij [geïntimeerde] en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [geïntimeerde] voor waar worden gehouden. Omdat Dexia niet beschikt over informatie wat zich tussen [geïntimeerde] en [tussenpersoon] heeft afgespeeld, kan zij volstaan met een blote ontkenning bij gebrek aan wetenschap. Voor zover het hof anders zou oordelen, is Dexia van mening dat zij ieder geval tot (tegen)bewijslevering moet worden toegelaten.
4.10.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia in 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.
4.11.
Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële afnemers), terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen niet slechts zelden de afnemers pleegden te informeren over effectenleaseproducten in algemene zin. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de STE/AFM erop zou toezien dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico. In de verhouding met [geïntimeerde] komt ook voor haar risico dat zij – naar eigen zeggen – pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) wist dat de inhoud van de contacten tussen de afnemer en de tussenpersoon van doorslaggevende betekenis zouden zijn.
4.12.
Naar het oordeel van het hof moet de door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) de tussenpersoon heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde] , (ii) [geïntimeerde] de financiële doelen aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt en (iii) de tussenpersoon vervolgens steeds een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd, welk specifieke product aan de hand van twee overeenkomsten door [geïntimeerde] is aangeschaft. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon het desbetreffende effectenleaseproduct aan [geïntimeerde] tweemaal heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde] , en dat op die grond sprake is van gepersonaliseerde aanbevelingen. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die bevestigen dat [tussenpersoon] met [geïntimeerde] de aanschaf van het onderhavige effectenleaseproduct tot tweemaal toe heeft besproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.
4.13.
Omdat Dexia de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, zal het hof haar niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Zij heeft onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Daarbij betrekt het hof dat uit het betoog van Dexia niet blijkt dat zij de medewerker van [tussenpersoon] , met wie [geïntimeerde] ten tijde van de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten heeft gesproken, op enig moment heeft bevraagd over de gang van zaken in de concrete situatie van [geïntimeerde] om aldus haar (blote) betwisting nader te kunnen onderbouwen Het betoog van Dexia dat zij niet eerder heeft kunnen weten dat [geïntimeerde] zich zou beroepen op een schending van artikel 41 Nadere Pro Regeling toezicht effectenverkeer 1999 ((hierna: NR 1999), snijdt geen hout. Het moet Dexia, mede gezien (bijvoorbeeld) de WCAM-procedure en de verwijten die haar daarin werden gemaakt, al veel eerder duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering(en) van [geïntimeerde] zij zich mogelijk zou moeten verdedigen, op welke grondslagen en voor welke schendingen.
4.14.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat [tussenpersoon] vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.
Wetenschap Dexia
4.15.
Dexia bestrijdt met grief II het oordeel van de rechtbank dat zij ermee bekend moet zijn geweest dat tussenpersonen op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaven en dat het op haar weg had gelegen om bij de totstandkoming van de overeenkomst met [geïntimeerde] actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst is aangegaan op advies van de tussenpersoon, om te kunnen beoordelen of zij de overeenkomst met [geïntimeerde] kon en mocht aangaan. Dexia stelt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:882), waarnaar de rechtbank verwijst (voetnoot 5), heeft geoordeeld dat de wetenschap van Dexia kon worden afgeleid uit de nauwe samenwerking met de tussenpersoon. In dit geval was van een nauwe samenwerking tussen Dexia en [tussenpersoon] geen sprake, zodat Dexia om die reden niet van vergunningplichtige advisering had moeten weten. Dexia had ook overigens geen aanwijzingen dat tussenpersonen op betekenisvolle schaal vergunningplichtig advies gaven en dus evenmin aanleiding om daar in individuele gevallen navraag naar te doen, aldus Dexia.
4.16.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten tegenover [geïntimeerde] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat [tussenpersoon] aan de eisen van artikel 41 NR Pro 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Naar het oordeel van het hof geldt dit ook als geen sprake was van een nauwe samenwerking tussen Dexia en [tussenpersoon] . Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door [tussenpersoon] werd geadviseerd. Daar komt in dit geval bij dat uit het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel volgt dat [tussenpersoon] zich naar de buitenwereld presenteerde als adviseur op het gebied van (verzekeringen en) financieringen in de “ruimste zin des woords”. Dit impliceert dat zij ook (financieel) advies uitbracht over effectenleaseproducten, wat voor Dexia eenvoudig was na te gaan. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat [tussenpersoon] [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.17.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Verklaring voor recht
4.18.
Dexia komt met haar voorwaardelijke grief III op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen. Omdat de voorgaande grieven niet slagen, is de voorwaarde waaronder deze grief is aangevoerd niet vervuld. Deze grief behoeft daarom geen behandeling.
Conclusie
4.19.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij de schade van [geïntimeerde] volledig dient te vergoeden.
4.20.
Partijen zijn nu, met verwijzing naar rov. 4.13 van het bestreden vonnis, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding te berekenen.
Slotsom en proceskosten
4.21.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.22.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 349,00 aan griffierecht en op € 1.935,00 (1,5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Verduyn, A.J.P. Schild en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).