ECLI:NL:GHDHA:2026:2061

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
BK-25/537
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 11 Wet bpmArt. 19a lid 2 Wet bpmArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArtikel 110 VWEURichtlijn 2007/46/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag bpm en toepassing CO2-uitstoot WLTP-testmethode

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag bpm opgelegd van €4.189 voor een gebruikte Volkswagen Polo 2.0 TSI GTI, waarbij de CO2-uitstoot werd vastgesteld volgens de WLTP-methode. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat de CO2-uitstoot te hoog was vastgesteld, mede vanwege overgang van NEDC1 naar WLTP/NEDC2 meetmethoden en mogelijke discriminatie.

De Rechtbank had de naheffingsaanslag verminderd tot €3.991 en de Staat en Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en voerde aan dat de auto gelijksoortig was aan referentievoertuigen met een lagere NEDC1-uitstoot, en dat de heffing in strijd was met artikel 110 VWEU Pro.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet had aangetoond dat de auto en referentievoertuigen gelijksoortig waren volgens de essentiële punten van bijlage II, deel B, van Richtlijn 2007/46/EG en dat de auto niet onder dezelfde EG-typegoedkeuring viel. Het beroep op artikel 110 VWEU Pro faalde daarom. Wel werd geoordeeld dat de bpm-tarieven vanaf 1 juli 2020 gebaseerd moeten zijn op de WLTP-uitstoot van 163 g/km, waarop de naheffingsaanslag werd verminderd tot €3.742. De Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten en griffierechten.

Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt verminderd tot €3.742 op basis van de WLTP-uitstoot en de Inspecteur wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/537

Uitspraak van 2 juni 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 juni 2025, nummer SGR 23/7496.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.189 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 184 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser(es) en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot op een bedrag van € 3.991 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 167;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.833;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.108;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden;
- draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 401 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Volkswagen Polo 2.0 TSI GTI (de auto). De datum van eerste toelating is 6 juni 2019.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [A B.V.] Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 30.344 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 17.767. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 16.267 in mindering gebracht als ‘aftrek van een gangbare marge bij importvoertuigen en een redelijk deel van de reparatiekosten’ in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op
€ 1.500. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 8.136 (CO2-uitstoot van 141 g/km).
2.3.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 4.189 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 17 juli 2020. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 32.861 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 18.953 (AutotelexPro). DRZ heeft geen schade aannemelijk geacht. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op
€ 18.953 (afschrijving van 42,32%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 8.136 (CO2-uitstoot van 141 g/km).

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Overgang NEDC1/WLTP/NEDC2
21. Eiser heeft gesteld dat als gevolg van de overgang van de NEDC1-meetmethode naar de WLTP/NEDC2-meetmethode een door artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verboden discriminatie kan ontstaan tussen geïmporteerde voertuigen en reeds op de binnenlandse markt aanwezige voertuigen. In dit verband wijst eiser erop dat de WLTP/NEDC2-methode voor het vaststellen van de CO2-uitstoot volgens onderzoeken van KPMG en TNO tot een hogere CO2-uitstoot dan de oude NEDC1-meetmethode leidt en daarmee tot een hogere heffing van bpm. Omdat de NEDC1-geteste restantvoorraad in Nederland relatief groter is dan bijvoorbeeld in Duitsland, is het in Nederland gemakkelijker een NEDC1-geteste auto te kopen. Daardoor wordt de invoer van soortgelijke, doch NEDC2-geteste auto’s uit andere lidstaten ontmoedigd, aldus eiser.
22. De door eiser beschreven mogelijkheid van discriminatie is inmiddels door de Hoge Raad beoordeeld. In dat verband is – kort gezegd en voor zover hier van belang – overwogen dat het gebruik van en de overgang tussen twee verschillende meetmethodes voor de vaststelling van de CO2-uitstoot op zichzelf genomen kan leiden tot strijd met artikel 110 van Pro het VWEU. Een belastingplichtige die zich daarop beroept moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.[3] Eiser heeft zodanige referentievoertuigen niet kunnen aandragen, zodat zijn beroep in zoverre faalt.
23. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser weliswaar stelt dergelijke referentievoertuigen te hebben aangedragen, echter die zijn, naar verweerder terecht en uitgebreid gemotiveerd heeft weergegeven in zijn verweerschrift, niet gelijksoortig zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad, omdat de importauto en de referentieauto’s niet onder dezelfde EG-typegoedkeuring vallen en de importauto en de referentieauto op niet op alle genoemde kenmerken (behoudens de CO2-uitstoot) identiek zijn (zie de uitgebreide weergave in de punten 4.9.1 en 4.9.2 van het verweerschrift). Daarbij wijst verweerder er ook nog terecht op dat eiser in dit geval ook geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat de importauto op de datum eerste toelating in een andere EU lidstaat voor het eerst is toegelaten tot de openbare weg, zodat ook niet duidelijk is of aan deze voorwaarde wordt voldaan.
24. De rechtbank merkt hierbij nog op dat in dit geval de productiedatum van de auto 10 april 2019 is. Op dat moment – namelijk vanaf 1 juni 2018 – werden alle voertuigen volgens de WLTP-methode getest. Dit betekent dat eiser ook geen ander (vergelijkbaar) geval zal kunnen aandragen wat volgens een andere methode (de NEDC1-methode) is getest. Dat betekent immers dat alle voertuigen met hetzelfde typenummer die in Nederland rondrijden, volgens de WLTP-methode zijn getest. Eiser heeft in dit verband nog aangevoerd dat er in Nederland wel auto’s rondrijden met een ander typenummer die toch (voldoende) vergelijkbaar zijn met de auto en die wel anders (niet-WLTP) zijn getest. Eiser lijkt daarbij echter te miskennen dat voor de vergelijkbaarheid van voertuigen ook de leeftijd van groot belang is. Juist dat maakt ook dat het niet voor de hand liggend is dat er voertuigen zijn die voldoende vergelijkbaar/identiek zijn en die níét volgens de WLTP-methode zijn getest. Eiser heeft dat ook overigens niet aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft eiser ter zitting nog aangevoerd dat in dit verband op hem een te zware bewijslast rust, omdat hij dat niet kán bewijzen, hetgeen volgens eiser ook blijkt uit de door hem overgelegde email-correspondentie met Volkswagen Customer Care, en dat in zoverre sprake is van een schending van het doeltreffendheidsbeginsel. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft er ter zitting terecht op gewezen dat, nu er in casu sprake is van een gewijzigd opvolgend (type)nummer, er een goedkeuringsdocument van het nieuwe (of juist het oudere) typenummer zou moeten worden overgelegd waaruit ook eventuele verschillen zouden blijken, en dat een dergelijk document bij de fabrikant moet worden opgevraagd en niet bij de customer service. Eiser had dan ook daarnaar navraag moeten doen, en wel bij de fabrikant en niet bij de klantenservice, aldus verweerder. De rechtbank volgt verweerder hierin, en concludeert dat eiser daaraan inderdaad niet heeft voldaan. Ten eerste blijkt uit de gedingstukken niet dat eiser om de juiste gegevens heeft gevraagd; eiser lijkt om een duplicaat CVO te hebben gevraagd terwijl hij om de typegoedkering(en) had moeten vragen. Ten tweede heeft eiser de gegevens niet bij de fabrikant gevraagd maar bij de klantenservice (Volkswagen Cutomer Care). Onder die omstandigheden kan eiser niet rechtens het standpunt innemen dat hij niet heeft kunnen voldoen aan de op hem rustende bewijslast ondanks alles te hebben gedaan wat tot zijn mogelijkheden behoorde. Van een schending van het doeltreffendheidsbeginsel is dus geen sprake.
(…)
Slotsom
28. Gelet op wat hiervoor onder 20. is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient de aanslag te worden verminderd tot op een bedrag van € 3.991. De overige gronden van eiser treffen geen doel.
(…)
[3] HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.9.2.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag is opgelegd, meer specifiek of de Inspecteur is uitgegaan van de juiste CO₂-uitstoot.
4.1.2.
Tussen partijen is ten aanzien van een eventueel toe te kennen proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase niet in geschil dat de gemachtigde van belanghebbende kwalificeert als een bijzonder geval in de zin van de tweede volzin van artikel 19a, lid 2, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) (vgl. HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:155, r.o. 3.5.1 en 3.5.2 en HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:671, r.o. 2.4.2).
4.2.
Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en:
  • primair tot vaststelling van de CO2-uitstoot van de auto op 134 g/km (NEDC1), tot vaststelling van de (historische) bruto bpm op € 7.051, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 18.044, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 3.723 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 3.322; en
  • subsidiair tot vaststelling van de CO2-uitstoot van de auto op 163 g/km (WLTP), tot vaststelling van de (historische) bruto bpm op € 7.846, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 18.044, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 4.143 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 3.742.
Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten in hoger beroep.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

NEDC1-uitstoot
5.1.1.
Belanghebbende stelt primair dat hem, gelet op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653 (de prejudiciële beslissing), een beroep toekomt op de NEDC1-uitstoot van 134 g/km, die voor de door hem aangedragen referentievoertuigen geldt, en de daarbij horende bruto bpm. Belanghebbende heeft het Hof verzocht de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden van de Hoge Raad op de door Hof Amsterdam gestelde prejudiciële vragen tot nadere duiding van de antwoorden in de prejudiciële beslissing (Hof Amsterdam 15 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1252). Voor het geval het Hof de zaak niet aanhoudt, bepleit belanghebbende dat de prejudiciële beslissing zo moet worden uitgelegd dat als een auto op openbaar verifieerbare essentiële punten gelijk is aan een referentievoertuig, het beroep op artikel 110 VWEU Pro moet slagen. Belanghebbende heeft een overzicht met technische gegevens van de auto en van referentievoertuigen overgelegd. Uit dit overzicht volgt volgens belanghebbende dat de auto en de referentievoertuigen gelijksoortig zijn ten aanzien van de essentiële punten genoemd in bijlage II, deel B, behorend bij de Richtlijn 2007/46/EG. Het feit dat de auto en de referentievoertuigen een ander volgnummer (auto: *12 en de referentievoertuigen: *05) van de EG-typegoedkeuring hebben, doet niet af aan de gelijksoortigheid, aldus belanghebbende. Belanghebbende verwijst daarbij naar de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 22 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2046. Belanghebbende vult in dit opzicht aan dat een verschil in/wijziging van de EG-typegoedkeuring allerlei oorzaken kan hebben, die niet alle leiden tot een verschil in de uitstoot van de auto. Belanghebbende concludeert dat hierdoor technisch identieke auto’s op papier een verschillende uitstoot hebben en dus een verschillende bpm-druk. Dit is, aldus belanghebbende, in strijd met artikel 110 VWEU Pro.
5.1.2.
De Inspecteur stelt zich, onder verwijzing naar de prejudiciële beslissing, op het standpunt dat alleen sprake is van gelijksoortigheid als de referentievoertuigen technisch identiek zijn aan de auto op de essentiële punten genoemd in bijlage II, deel B, behorend bij de Richtlijn 2007/46/EG en als zij beschikken over dezelfde EG-typegoedkeuring. De auto heeft geen gelijke, en zelfs een niet (direct) opvolgende, EG-typegoedkeuring ten opzichte van de referentievoertuigen. Voorts verschilt de auto, aldus de Inspecteur, van de referentievoertuigen op het punt van de variant, motorcode, versnellingsbakcode, uitvoering, geluidsniveau stationair, spoorbreedte en voertuig specifieke opties. Belanghebbende is volgens de Inspecteur daarmee niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast.
5.1.3.
De bewijslast dat de CO2-uitstoot te hoog is vastgesteld rust op belanghebbende. Bij de toepassing van artikel 110 VWEU Pro komt het erop aan vast te stellen dat ter zake van de registratie van de auto niet méér bpm wordt geheven dan het restbedrag aan bpm dat geacht kan worden nog vervat te zijn in de waarde van gelijksoortige gebruikte auto’s die in Nederland op het tijdstip van de registratie al in de handel zijn.
5.1.4.
De heffing van bpm is erop gebaseerd dat naarmate een personenauto per kilometer meer CO2 uitstoot, meer bpm verschuldigd wordt. De CO2-uitstoot per kilometer is dus bepalend voor de hoogte van de verschuldigde bpm. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto, nieuw of gebruikt, moet worden bepaald in welke mate deze CO2 per kilometer uitstoot. Met ingang van 1 september 2017 wordt de CO2-uitstoot van op de Europese markt gebrachte auto’s bepaald volgens de WLTP-methode. Tot die datum werd de CO2-uitstoot bepaald op basis van de NEDC-methode. Er is sprake van een overgangsfase. Tot 1 juli 2020 vond na meting op basis van de WLTP-methode omrekening plaats naar de NEDC-waarde. Dit hield kort gezegd verband met het feit dat fabrikanten enige tijd in de gelegenheid moesten worden gesteld nieuwe typegoedkeuringen aan te vragen en desgewenst hun auto’s aan te passen. Ten onderscheid wordt de waarde die voortvloeit uit de toepassing van de NEDC-methode wel NEDC1 genoemd en de waarde die voortvloeit uit de omrekening van de WLTP-waarde naar de NEDC-waarde NEDC2. Op grond van de restantvoorraadregeling mochten bestaande voorraadmodellen die gefabriceerd waren vóór 1 juni 2018 en die al waren voorzien van een CO2-uitstoot op basis van de NEDC-methode, tot 1 september 2019 geregistreerd worden op basis van die reeds vastgestelde CO2-uitstoot.
5.1.5.
In de prejudiciële beslissing heeft de Hoge Raad onder meer als volgt geantwoord op prejudiciële vragen van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant:
“5.6.6. De situatie in de onderhavige zaak, waarop de prejudiciële vragen zien, verschilt van de situatie waarop het arrest van 3 april 2020 betrekking heeft. Als gevolg van Unierechtelijke en nationale overgangsmaatregelen is namelijk voor de heffing van bpm niet uitgesloten dat het op grond van artikel 9, lid 13, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 6a, aanhef en letter a, van de Uitvoeringsregeling voorgeschreven bewijsmiddel van de omvang van de CO2-uitstoot voor personenauto’s van eenzelfde voertuigtype als hiervoor in 5.1.1 omschreven (hierna ook: model) een verschillende vastgestelde CO2-uitstoot weergeeft en dat vaststaat dat dit verschil uitsluitend is terug te voeren op het gebruik van een verschillende meetmethode (de NEDC-meetmethode dan wel de WLTP-meetmethode).
(…)
5.9.2.
Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU Pro van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd en die aansluit bij een CO2-uitstoot als vermeld in een bij de personenauto behorend certificaat van overeenstemming, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn.
De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU Pro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.
(…)
Prejudiciële vraag 3
Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU Pro van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EU-typegoedkeuring vallen.
De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU Pro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.”
5.1.6.
Het Hof ziet geen aanleiding tot aanhouding van de zaak in afwachting van de antwoorden van de Hoge Raad op de door Hof Amsterdam gestelde prejudiciële vragen tot nadere duiding van de antwoorden in de prejudiciële beslissing.
5.1.7.
Het Hof leidt uit de prejudiciële beslissing af dat personenauto’s als gelijksoortig moeten worden beschouwd indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EG-typegoedkeuring vallen.
5.1.8.
De Inspecteur heeft in het verweerschrift in hoger beroep een overzicht aangeleverd waarin de auto en de referentievoertuigen op de essentiële punten als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad (bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG) zijn vergeleken. Gelijk de Inspecteur terecht en gemotiveerd heeft gesteld kunnen de auto en de door belanghebbende aangedragen referentievoertuigen niet als gelijksoortig worden beschouwd, alleen al omdat zij niet op alle in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn. Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd het tegendeel hiervan niet aannemelijk gemaakt. Anders dan belanghebbende heeft gesteld, zijn de door de Inspecteur aangehaalde kenmerken (en dus de daarbij voorkomende verschillen) wel degelijk relevant. Uit het door belanghebbende overgelegde overzicht met referentievoertuigen is te zien dat onder meer de variant, uitvoering, motorcode, versnellingsbakcode, milieuklasse en het geluidsniveau van de auto en de referentievoertuigen niet overeenkomen. Hieruit valt af te leiden dat voertuigen met een EG-typegoedkeuring met een ander volgnummer wel op de voormelde essentiële punten kunnen afwijken, nog daargelaten dat uit het overzicht voorts blijkt dat meerdere (verschillende) typen voertuigen van eenzelfde autofabrikant onder eenzelfde EG-typegoedkeuring kunnen vallen. Daarmee is geen sprake van voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn. Aan de stellingname van belanghebbende ten aanzien van de EG-typegoedkeuring en de afwijkende volgnummers komt het Hof om die reden niet toe. Hetzelfde geldt voor belanghebbendes stelling dat hij in een onmogelijke bewijspositie komt doordat hij geen nadere informatie ter zake van de EG-typegoedkeuringen van de referentievoertuigen kan opvragen bij de desbetreffende fabrikant. Gelet op het voorgaande faalt belanghebbendes stelling.
WLTP-uitstoot
5.2.1.
Belanghebbende stelt subsidiair dat hem een beroep toekomt op de WLTP-uitstoot van 163 g/km. Belanghebbende verwijst daarbij naar artikel 9, lid 11, Wet bpm.
5.2.2.
Artikel 9, lid 11, Wet bpm voorziet in een definitie van de CO2-uitstoot, waarop het bpm-tarief voor personenauto's is gebaseerd. Vanaf 1 juli 2020 worden de bpm-tarieven voor personenauto’s gebaseerd op de CO2-uitstoot gemeten volgens de WLTP-testmethode. De belasting is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto in het kentekenregister. Uit het door de Inspecteur overgelegde afschrift van het kentekenregister volgt dat de auto op 6 juli 2020 in Nederland in het kentekenregister is ingeschreven. Dit is ook niet in geschil. Gelet hierop dient het bpm-tarief van de auto te worden gebaseerd op de CO2-uitstoot gemeten volgens de WLTP-testmethode (163 g/km).
5.2.3.
Gelet op het voorgaande slaagt belanghebbendes subsidiaire standpunt. Het Hof zal de naheffingsaanslag verminderen tot € 3.742.
Slotsom
5.3.
Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Er bestaat aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.332 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten à € 666 x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 5.068.
6.2.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 184, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 289 te worden vergoed (totaal € 473).

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 3.742;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 5.068, en
  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 473 aan griffierechten te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, M.J.M. van der Weijden en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon A. van Dongen
De beslissing is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.