ECLI:NL:GHDHA:2026:1867

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
200.298.247/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 3:317 lid 1 BWArt. 6:162 BWArt. 41 NR 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis over onrechtmatige advisering effectenlease door niet-vergunde tussenpersoon

Deze civiele zaak betreft de effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia en [geïntimeerde], waarbij de vraag centraal stond of Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door het gebruik van een tussenpersoon, Spaar Select, die zonder vereiste vergunning beleggingsadvies gaf. [geïntimeerde] vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van Dexia.

De kantonrechter stelde vast dat Dexia onrechtmatig had gehandeld en veroordeelde Dexia tot betaling van €17.523,11 plus wettelijke rente en proceskosten. Dexia ging in hoger beroep en voerde onder meer verjaring en het ontbreken van vergunningplichtig advies aan.

Het hof oordeelde dat de verjaring was gestuit door sommatiebrieven en dat Dexia wist of behoorde te weten dat Spaar Select vergunningplichtig advies gaf. De stellingen van [geïntimeerde] over de advisering werden als voldoende gemotiveerd en aannemelijk beoordeeld. Dexia mocht geen tegenbewijs leveren wegens onvoldoende onderbouwing. Het hof bekrachtigde het vonnis en veroordeelde Dexia in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat Dexia onrechtmatig handelde en veroordeelt Dexia tot betaling van €17.523,11 plus rente en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.298.247/02
Zaaknummer rechtbank: : 6027651 CV EXPL 17-3975
Arrest van 28 april 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 7 mei 2020 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Dordrecht.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord met producties;
  • de akte van Dexia met productie;
  • de akte uitlating jurisprudentie van [geïntimeerde] met producties;
  • de antwoordakte van Dexia;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde];
  • de memorie na hervatting van Dexia met producties;
  • de akte uitlaten jurisprudentie van [geïntimeerde] met productie.
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
2.3.
Het hof passeert de stelling van Dexia dat [geïntimeerde] in strijd met artikel 85 lid 4 Rv Pro heeft gehandeld door bij memorie van antwoord 56 producties over te leggen. Het gaat uitsluitend om stukken die bekend zijn bij de advocaten van beide partijen en die in bijna alle Dexia-zaken overgelegd plegen te worden.

3.De kern van de zaak

3.1.
Deze zaak gaat over effectenleaseovereenkomsten, tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via een tussenpersoon Spaar Select. In hoger beroep is aan de orde de vraag of [geïntimeerde] is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
[geïntimeerde] heeft – zakelijk weergegeven en voor zover relevant in hoger beroep - gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld en/of dat zij jegens [geïntimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten. [geïntimeerde] heeft gevorderd dat de kantonrechter Dexia veroordeelt tot betaling van de door [geïntimeerde] geleden schade, bestaande uit de door [geïntimeerde] betaalde bedragen aan inleg in de aandelenleaseovereenkomsten en de betaalde restschuld, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast heeft [geïntimeerde] gevorderd dat de kantonrechter Dexia veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en Dexia veroordeelt in de proceskosten.
3.3.
Dexia heeft een tegenvordering ingesteld en gevorderd dat de kantonrechter – zakelijk weergegeven en voor zover relevant in hoger beroep – voor recht verklaart dat de overeenkomsten met nummers [nummer 1] en [nummer 2] rechtsgeldig tot stand gekomen zijn, niet zijn vernietigd en niet blootstaan aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [geïntimeerde] een beroep kan worden gedaan. Ook heeft Dexia gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [geïntimeerde] en [geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten.
3.4.
De kantonrechter heeft – zakelijk weergegeven - voor recht verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld en Dexia veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 17.523,11, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook heeft de kantonrechter Dexia veroordeelt in de proceskosten. In reconventie heeft de kantonrechter de vorderingen van Dexia afgewezen en Dexia eveneens in de proceskosten veroordeeld.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder ‘De vaststaande feiten’. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] en het alsnog toewijzen van haar vorderingen.
4.3.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
Verjaring
4.4.
Dexia heeft in eerste aanleg een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [geïntimeerde]. Dat beroep gaat niet op. De vordering van [geïntimeerde] is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart door verloop van vijf jaren vanaf het moment waarop [geïntimeerde] daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon (artikel 3:310 lid 1 BW Pro). De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW Pro). Of de schriftelijke mededeling voldoet als stuitingshandeling hangt niet alleen af van de inhoud van de mededeling, maar ook van de context waarin deze werd gedaan en de overige omstandigheden van het geval. Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW Pro niet de eis worden gesteld dat daarin een precieze feitelijke en juridische inkleding wordt gegeven waarop het vorderingsrecht zijn grondslag vindt. [1]
4.5.
Gelet op de inhoud van de sommatiebrieven en de context waarin deze aan Dexia zijn gestuurd, moet het Dexia duidelijk zijn geweest dat zij rekening moest houden met de mogelijkheid dat de vordering van [geïntimeerde] alsnog geldend gemaakt zou worden. Ook moet het Dexia duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering van [geïntimeerde] zij zich in dat geval zou moeten verweren. In de sommatiebrief van 13 maart 2006 staat immers welke verwijten [geïntimeerde] Dexia maakt ter zake van de effectenleaseovereenkomsten, waaronder dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld. De onderhavige vordering van [geïntimeerde] is gegrond op artikel 6:162 BW Pro. Het feit dat [geïntimeerde] aanvoert dat Dexia een wettelijke plicht heeft geschonden, namelijk artikel 41 NR Pro 1999, betekent niet dat er sprake is van een van de onrechtmatige daad-grondslag te onderscheiden vordering gegrond op artikel 41 NR Pro 1999. Voor het stuiten van de vordering op grond van onrechtmatige daad was het niet nodig dat [geïntimeerde] ook expliciet in zijn stuitingsberichten vermeldde dat hij Dexia onrechtmatig handelen verweet specifiek (ook) op grond van artikel 41 NR Pro 1999.
4.6.
De conclusie is dat [geïntimeerde] de verjaring heeft gestuit, zodat het beroep van Dexia op verjaring faalt.
Juridisch kader
4.7.
Dexia handelt als aanbieder van effectenleaseovereenkomsten ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde] Spaar Select als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang. [2]
Advisering
4.8.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. [3]
4.9.
[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Spaar Select in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, onder “Feiten in deze zaak” in het eerste processtuk van [geïntimeerde] in eerste aanleg. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerde] werd telefonisch benaderd door een medewerker van Spaar Select. Daarna heeft een huisbezoek bij [geïntimeerde] plaatsgevonden met een adviseur van Spaar Select. Tijdens het huisbezoek heeft deze adviseur geïnformeerd naar de financiële situatie en wensen van [geïntimeerde]. Daarbij is besproken dat [geïntimeerde] (extra) vermogen wenste op te bouwen. Naar aanleiding hiervan heeft de medewerker van Spaar Select [geïntimeerde] geadviseerd om een specifiek effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. [geïntimeerde] heeft op dit advies vertrouwd en is deze overeenkomst (met nummer [nummer 1]) aangegaan. Een jaar later werd [geïntimeerde] opnieuw telefonisch benaderd door een andere - bij naam genoemde - medewerker van Spaar Select. De medewerker vertelde een nog interessanter en voordeliger aanbod te hebben en stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek. Er heeft daarna een huisbezoek plaatsgevonden. Tijdens het gesprek informeerde de medewerker naar de financiële situatie en wensen van [geïntimeerde]. De medewerker heeft naar aanleiding van die informatie [geïntimeerde] geadviseerd om de overwaarde op zijn huis te benutten door het afsluiten van een tweede hypothecaire lening. Met het geld dat daarmee vrij kwam, kon [geïntimeerde] volgens de medewerker een specifiek effectenleaseproduct van Dexia afsluiten. De medewerker van Spaar Select heeft zijn advies vastgelegd in een financieel plan dat door [geïntimeerde] is overgelegd in deze procedure. [geïntimeerde] heeft op het advies van de medewerker vertrouwd en is de overeenkomst (met nummer [nummer 2]) aangegaan. Aldus stelt [geïntimeerde].
4.10.
Dexia heeft in haar memorie na hervatting erkend dat uit het financieel plan dat [geïntimeerde] heeft overgelegd, kan worden afgeleid dat Spaar Select [geïntimeerde] heeft geadviseerd met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer 2]. Dexia heeft met betrekking tot die overeenkomst haar grief omtrent dat Spaar Select heeft geadviseerd ingetrokken.
4.11.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer 1]. Dexia betoogt dat uit de blote stellingen van [geïntimeerde] en de overgelegde producties niet volgt dat Spaar Select vergunningplichtig advies heeft uitgebracht aan [geïntimeerde]. Dexia wijst er daarnaast op dat er rekening mee dient te worden gehouden dat de stellingen van [geïntimeerde] sjabloonmatig zijn opgesteld. Dexia meent dat deze omstandigheid een zwaarwegende aanwijzing vormt voor de onjuistheid van de stellingen van [geïntimeerde]. Dexia stelt dat het onjuist is dat Spaar Select een vaste werkwijze had, waarbij altijd een gepersonaliseerde aanbeveling werd gegeven. Daarbij wijst Dexia onder meer op een verklaring van de oprichter en toenmalig bestuursvoorzitter van Spaar Select, waaruit volgens Dexia blijkt dat het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling voor het jaar 2000 geen deel was van de werkwijze van Spaar Select. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van de tussenpersoon bij [geïntimeerde] en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [geïntimeerde] voor waar worden gehouden. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.
4.12.
Meer concreet heeft Dexia in dit geval nog aangevoerd dat de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken “inherent” onaannemelijk is. Volgens Dexia is het ongeloofwaardig dat Spaar Select een jaar na het sluiten van de eerste overeenkomst [geïntimeerde] weer een andere overeenkomst heeft aanbevolen voor exact hetzelfde doel (om vermogen op te bouwen). Volgens Dexia is het tenminste goed en beter voorstelbaar dat [geïntimeerde] de eerste overeenkomst uit eigen beweging heeft afgesloten, waarbij de betrokkenheid van Spaar Select zich heeft beperkt tot de typische werkzaamheden van een cliëntenremisier.
4.13.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.
4.14.
Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële afnemers), terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen niet slechts zelden in algemene zin de afnemers pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM) erop zou toezien dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico.
4.15.
Naar het oordeel van het hof moet de door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) geïnformeerd is naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde], (ii) [geïntimeerde] het financiële doel aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt, (iii) de tussenpersoon vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon het effectenleaseproduct aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde], en dat op die grond sprake is van gepersonaliseerde aanbevelingen. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die bevestigen dat Spaar Select met [geïntimeerde] de aanschaf van het effectenleaseproduct heeft besproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers op huisbezoek gingen en daarbij een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd. Dat Spaar Select in dit geval twee keer achter elkaar betrokken is geweest bij het aangaan van een effectenleaseovereenkomst voor hetzelfde doel – om vermogen op te bouwen – betekent niet dat het onwaarschijnlijk is dat Spaar Select bij het aangaan van de eerste overeenkomst heeft geadviseerd.
4.16.
Dexia heeft de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal haar daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Dexia heeft immers onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid.
4.17.
De stellingen die Dexia voor overige heeft ingenomen, gaan uit van een onjuist (achterhaald) adviesbegrip. Het hof gaat uit van het begrip ‘advies’ zoals omschreven door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing.
4.18.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.
Wetenschap Dexia
4.19.
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde].
4.20.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Dexia voert thans weliswaar aan dat zij er intern vanuit ging dat werkzaamheden van de tussenpersonen beperkt waren tot de werkzaamheden die ook volgens de huidige maatstaven typisch en toegelaten waren, maar uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten tegenover [geïntimeerde] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat Spaar Select aan de eisen van artikel 41 NR Pro 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door Spaar Select werd geadviseerd. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat Spaar Select [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.21.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Tussenconclusie
4.22.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat dat Spaar Select [geïntimeerde] heeft geadviseerd en dat Dexia dit had behoren te weten. Dit betekent dat Dexia de schade van [geïntimeerde] volledig dient te vergoeden.
Omvang van de schade
4.23.
De door [geïntimeerde] geleden schade is door de kantonrechter vastgesteld op een bedrag van € 17.523,11, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tegen de vaststelling van de schade is niet gegriefd zodat dit bedrag vaststaat. Het voorgaande betekent voor de onderhavige inleg, bestaande uit termijnbetalingen en eventuele aflossingen, dat de wettelijke rente over elk betaald gedeelte van de inleg verschuldigd wordt vanaf de dag van betaling van het desbetreffende gedeelte (ECLI:NL:HR:2015:1198). Daarbij geldt dat er geen voordeelstoerekening plaatsvindt op de ten tijde van de schadebegroting reeds verschenen wettelijke rente omdat een aanspraak op wettelijke rente over nadeel dat bij de voordeelstoerekening tegen voordelen wegvalt, moet worden geacht niet te zijn ontstaan. Slechts over het nadeel dat na voormelde wijze van voordeelstoerekening resteert, kan wettelijke rente in aanmerking worden genomen (ECLI:NL:HR:2017:164, rov. 3.6.3). Voor het 1/3 deel van de restschuld geldt dat dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van dat deel van de restschuld door [geïntimeerde] aan Dexia tot de voldoening door Dexia.
Slotsom en proceskosten
4.24.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1, 3 en 4 van Dexia ongegrond zijn. De grieven 2 en 5 hoeven geen behandeling. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.25.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 772,00 aan griffierecht en op € 3.870,00 (3 punten × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.3.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, R.F. Groos en A.J.P. Schild, en is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:274.
2.HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
3.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).