Uitspraak
1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
4.Waar de zaak over gaat
€ 818.685,17 dan wel een ander door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag.
5.De motivering van de beslissing
€ 818.685,17. Dit betekent dat de resterende verkoopopbrengst op de en/of rekening van partijen van € 650.681,04 toekomt aan de man. Voor het tekort van deze gemeenschapsschuld
€ 168.004,13 aan de man dient te vergoeden, te weten € 84.002,-.
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift(diss. Utrecht; Recht en Praktijk nr. PFR10), Deventer: Wolters Kluwer 2024/358). Hoewel het niet mogelijk is om achteraf nog een uitsluitingsclausule aan de gift te verbinden, verzetten de bewoordingen “bij de gift” zich er naar het oordeel van het hof niet tegen dat de gever en een begiftigde op voorhand een uitsluitingsclausule overeenkomen voor de giften die de begiftigde van de gever zal ontvangen. In deze zin ook: hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2131. De begiftigde moet dan deze uitsluitingsclausule wel hebben aanvaard. Als de uitsluitingsclausule door de echtgenoot van de begiftigde wordt betwist, moet de begiftigde bewijzen dat deze kennis heeft genomen van die eerdere uitsluitingsclausule en deze vervolgens heeft aanvaard.
Kamerstukken I2008/09, 28 867, nr. C, p. 15-16). In de Memorie van Antwoord wordt – ondanks de wettekst van artikel 1:87 lid 2 onder Pro b BW – ervan uitgegaan dat artikel 1:87 lid 2 onder Pro a BW in deze situatie van aflossing van toepassing is, hetgeen betekent dat in de noemer moet worden vermeld de waarde van het goed op het moment van aankoop. Economisch gezien heeft de man echter geïnvesteerd op het moment van de aflossing. Om die reden dient naar het oordeel van het hof voor de berekening van het vergoedingsrecht bezien te worden wat de waarde van het goed is op het moment van de aflossing. De man heeft dan het mogelijk profijt van een waardestijging van het goed of het nadeel indien het goed in waarde daalt. Het hof acht dat een redelijke uitkomst en acht het dan ook niet juist dat in de parlementaire geschiedenis letterlijk wordt afgeweken van de wettekst hetgeen in wezen
contra legemis. Vergelijk ook het artikel van prof. mr. P.C. van Es, ‘Huwelijksvermogensrechtelijk beleggen met voorkennis’, in: J.H.M. ter Haar e.a. (red),
Met grootse passen door het recht. Footprints in law (Ars Notariatus nr. 183), Deventer: Wolters Kluwer 2024/7.
€ 144.290,11. Echter de man beperkt zijn vordering tot € 135.481,-. De rechtsvraag die het hof moet beantwoorden is wat zijn de verbouwingskosten geweest en welk aandeel daarvan heeft hij als gift gekregen die niet in de huwelijksgemeenschap valt. Het hof kan vaststellen dat de ouders van de man rekeningen hebben betaald aan de aannemer (de broer van de man) en geld hebben overgemaakt naar de rekening van partijen. Het hof beschouwt dit als een gift aan de man. Voorts stelt de man in randnummer 70 van zijn hoger beroepschrift dat de ouders de facturen [factuurnummer] (€ 39.646,86) en [factuurnummer] (€ 31.835,10) - totaal € 71.471,96 - rechtstreeks aan de aannemer hebben betaald in 2016. Deze betaling kwalificeert de man als een gift die niet in de huwelijksgemeenschap valt. De factuur [factuurnummer] van de aannemer van € 72.818,15 is betaald van de gemeenschappelijke rekening van de man en de vrouw, echter voorafgaande aan de betaling hebben de ouders van de man op de gemeenschappelijke rekening een bedrag van € 50.000,- en € 25.000,- gestort. De man beschouwt voormelde betaling door zijn ouders op de gemeenschappelijke rekening als een gift aan hem die niet valt in de gemeenschap van goederen van partijen. Het hof gaat hier echter niet in mee aangezien uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt dat de ouders genoemde bedragen op 12 december 2015 hebben overgemaakt met als omschrijving “lening [adres 1] ”.
6.De beslissing
€ 235.654,55;
€ 415.026,49, zodat aan ieder nog een bedrag toekomt van € 207.513,24;