Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellant 1] B.V. ,
2.[geïntimeerde 1] ,
3.[geïntimeerde 2] ,
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 20 maart 2024, waarmee [appellant 1] c.s. in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2023 (hierna: het bestreden vonnis);
- de memorie van grieven van [appellant 1] c.s. ;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van (deels voorwaardelijke) grieven in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 1] ;
- de memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep van [appellant 1] c.s. ;
- de bijlagen nrs. 76-85 die [appellant 1] c.s. ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de rechtbank
subsidiair [geïntimeerden] (en Dorbat ) beveelt de aandelen in Bladi terug te (doen)leveren aan Luckey ;
(hierna: zowel primair als subsidiair: Vordering I),
(hierna, zowel primair als subsidiair: Vordering II)
(hierna: Vordering III).
5.De vorderingen in hoger beroep
in principaal hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
Grief 1 (in principaal hoger beroep)
(i) Vordering II van [appellant 1] en Bladi is gegrond op de actio pauliana;
(ii) uit het Feniks-arrest (ECLI:EU:C:2018:805) van het Europese Hof van Justitie volgt dat de actio pauliana onder de regel van internationale bevoegdheid van artikel 7 lid 1 sub Pro a, van de Brussel I bis-Vo valt, waarbij het contractuele karakter van de rechtsverhouding tussen schuldeiser en schuldenaar bepalend is voor het bepalen van de bevoegdheid en niet het juridische karakter van de benadelende rechtshandeling;
(iii) dit betekent dat de schuldeiser zelf mag kiezen om het geschil voor te leggen aan de rechter in de lidstaat waar de overeenkomst met de schuldenaar is of moet worden uitgevoerd, of in de lidstaat van de verweerder;
(iv) het voorgaande tot gevolg heeft dat de Nederlandse rechter in elk geval jegens [geïntimeerde 1] bevoegd is om van Vordering II kennis te nemen;
(v) gelet op de bevoegdheid om kennis te nemen van Vordering II jegens [geïntimeerde 1] , ook bevoegdheid bestaat om kennis te nemen van Vordering II ten aanzien van Dorbat op grond van artikel 7 lid 1 Rv Pro omdat een zodanige samenhang bestaat tussen deze vordering tegen [geïntimeerde 1] en Dorbat , dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
Tegen deze overwegingen richt zich grief 1 van [appellant 1] c.s.
- verklaart [appellant 1] c.s. niet-ontvankelijk in hun hoger beroep, voor zover ingesteld tegen geïntimeerden genoemd onder 3 tot en met 6, met veroordeling van [appellant 1] c.s. in de proceskosten van geïntimeerden genoemd onder 3 tot en met 6, begroot op nihil;
- verwijst de zaak naar de rol van 23 juni 2026 voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellant 1] c.s. met het doel dat staat vermeld in rechtsoverweging 6.8 van dit arrest;