ECLI:NL:GHDHA:2026:1

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
200.335.038/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepsaansprakelijkheid van een advocaat in een arbeidsconflict met een onderwijsstichting

In deze zaak gaat het om de beroepsaansprakelijkheid van een advocaat die een werkneemster heeft bijgestaan in een arbeidsconflict met haar werkgever, een onderwijsstichting. De werkneemster, die als topfunctionaris onder de Wet normering topinkomens valt, heeft de advocaat aangesproken op fouten die hij zou hebben gemaakt in zijn advisering. De werkneemster stelt dat deze fouten hebben geleid tot schade, omdat zij een vaststellingsovereenkomst heeft getekend die niet in haar voordeel was. Het hof heeft vastgesteld dat de advocaat inderdaad beroepsfouten heeft gemaakt, maar wenst meer informatie over de schade die de werkneemster heeft geleden. Het hof heeft de zaak verwezen naar de rol voor verdere behandeling, waarbij de werkneemster de gelegenheid krijgt om haar hypothetische situatie te schetsen als de beroepsfouten niet waren gemaakt. De uitspraak van het hof is een tussenuitspraak, waarin de aansprakelijkheid van de advocaat wordt erkend, maar de exacte schadevergoeding nog niet is vastgesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.335.038/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/636296 / HA ZA 22-839
Arrest van 13 januari 2026
in de zaak van
[appellante],
wonend in [woonplaats],
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. C.J. Spitters, kantoorhoudend in Dongen,
tegen
[naam] Advocaten B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.J.G. Boender-Lamers, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellante] en [geïntimeerden].

1.De zaak in het kort

1.1
Werkneemster, een “topfunctionaris” in de zin van de Wet normering topinkomens, is door een advocaat van [geïntimeerden] geadviseerd in een arbeidsconflict met haar toenmalige werkgever. Zij stelt dat de advocaat daarbij fouten heeft gemaakt, waardoor zij schade heeft geleden. Zij houdt [geïntimeerden] daarvoor aansprakelijk.
1.2
Het hof is van oordeel dat de advocaat inderdaad beroepsfouten heeft gemaakt. Ten aanzien van de schade wenst het hof nader geïnformeerd te worden over het scenario ‘de beroepsfout van de advocaat weggedacht’.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 3 oktober 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2023;
  • het arrest van dit hof van 9 januari 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
  • de brief van [appellante], met producties 6 t/m 19;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 maart 2024;
  • de memorie van grieven van [appellante], met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel van [geïntimeerden], met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van [appellante] in incidenteel appel, met bijlagen.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.2 t/m 2.7 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Daartegen is niet gegriefd. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
a. Stichting Smart Limburg (hierna: de Stichting) is een onderwijsstichting, die onder zich heeft de Islamitische basisschool El Habib in Maastricht (hierna: de basisschool).
[appellante] is per 1 augustus 2012 in dienst getreden bij de Stichting. Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van bezoldigd bestuurder DB op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Haar laatstgenoten loon bedroeg € 6.308,- bruto per maand voor een voltijds dienstverband. Haar jaarloon bedroeg inclusief vakantiegeld en dertiende maand € 86.520,53. Zij gold hiermee als topfunctionaris in de zin van de Wet normering bezoldiging publieke en semi publieke sector (WNT).
Bij e-mail van 11 juli 2019 heeft [appellante] zich ziek gemeld bij het algemeen bestuur. Zij schreef:
“(…) Zoals julie weten heb ik de afgelopen 4 jaar onder hoge spanning gewerkt. Zelfs in mijn vakanties wat nu ook weer het geval is geweest. Al het structurele overwerk en 60 urige werkweek heeft mij zowel lichamelijk als psychisch opgebroken.
Ik zal hier een arts raadplegen omdat mijn lichaam uitvalsverschijnselen vertoont. Hierover zijn jullie reeds eerder ook mondeling geïnformeerd. Zodra ik in Nederland zal ik me melden bij de arboarts.
Voor nu meld ik me officieel ziek.”
[appellante] is in een ernstig conflict geraakt met de directeur van de basisschool. Zij vond dat het algemeen bestuur van de Stichting haar toezichthoudende taak niet naar behoren vervulde. Zij heeft het bestuur hiervan bij brief van 19 augustus 2019 op de hoogte gebracht.
Op 26 augustus 2019 heeft de Stichting [appellante] geïnformeerd dat zij het voornemen had haar met onmiddellijke ingang te ontslaan.
[appellante] heeft zich in verband hiermee tot [geïntimeerden] gewend met het verzoek haar bij te staan. [advocaat 1] van [geïntimeerden] heeft haar zaak in behandeling genomen.
Bij e-mail van 27 augustus 2019 schreef [advocaat 1] aan [appellante]:
“Hierbij de brief die ik voorstel, als reactie op de brief van 26 augustus 2019, van de wederpartij.
Ik heb zojuist ook met de PO-Raad overleg gevoerd. Zij gaan kijken of de Inspectie bereid is - met spoed - een incidenteel onderzoek te beginnen. (…)
Door de spoed van jouw zaak, ben ik nog niet toegekomen aan het beschrijven van ons dienstverleningstarief.
De kosten van onze inzet bedragen (…)”
Bij e-mail van 3 september 2019 - na een overleg met [appellante] op zijn kantoor - schreef [advocaat 1] aan [advocaat 2], de advocaat van de Stichting (verder: [advocaat 2])
“(…)
Ik heb aangegeven dat cliënte moet kiezen uit 2 opties: Of een kort geding starten om het ontslag, zoals opgenomen in de brief van 30 augustus, aan te vechten. Of met uw cliënte tot een minnelijke regeling komen. Principieel zal zij kiezen voor het eerste. Ik heb aangegeven dat cliënte, met het oog op haar
gezondheid, echter een voorkeur heeft voor de tweede optie. U gaf aan dat ook uw cliënte hier de voorkeur aan geeft.
Om deze reden geef ik hieronder aan hoe een dergelijke regeling er volgens cliënte uit zou moeten zien.
(…)
- Cliënte is ziek op dit moment en krijgt van uw cliënte de normale re-integratie begeleiding daarbij. Dat betekent bedrijfsgezondheidskundige begeleiding en 100% loon doorbetaling gedurende het eerste ziektejaar;
- Indien volgens de bedrijfsarts cliënte in het tweede ziektejaar nog niet hersteld is en beëindiging derhalve niet mogelijk is, zal het loon op een hoogte van 70% doorbetaald worden;
- Cliënte zal worden vrijgesteld van al haar taken en verantwoordelijkheden en zal op geen enkele manier meer contact of bemoeienis hebben met de school. Het AB zal haar als BD volledige decharge verlenen;
- Zodra cliënte hersteld is zullen partijen zo spoedig mogelijk een tweede vaststellingsovereenkomst sluiten ter beëindiging van het dienstverband, doch in ieder geval zal dit geschieden na 104 weken ziekte;
- (…);
- Na herstel van cliënte zal ter beëindiging van het dienstverband - met in acht neming van de opzegtermijn uit de CAO PO - een vaststellingsovereenkomst worden gesloten, waarin dan de volgende punten worden opgenomen:
- Cliënte ontvangt - uitgaande van de dan vast gestelde einddatum - een transitievergoeding conform de wettelijke formule;
- Cliënte ontvangt een vergoeding overeenkomende met het bruto salaris over de periode van tweemaal bevallings- en zwangerschapsverlof aangezien zij dat destijds niet heeft genoten;
- Cliënte ontvangt een positief getuigschrift en goede referenties, wanneer zij gaat solliciteren;
- Partijen maken een reguliere eindafrekening op;
- Partijen verlenen elkaar over en weer finale kwijting en maken dus om geen enkele reden nog aanspraak op schadevergoeding o.i.d..
(…)
Ik verneem graag z.s.m. van u.”
i. [advocaat 2] reageerde bij e-mail van 6 september 2019 als volgt:
“(…)
Het bestuurderschap en het dienstverband van mevrouw [appellante] zijn beëindigd per 29.08.2019. Het ontslag van uw cliënt houdt geen verband met een ziekte van uw cliënt. Het vertrouwen in uw cliënt is onherstelbaar beschadigd.
Zij heeft zelfs u onjuist ingelicht over haar solactie om drie van de vier AB leden belast met het toezicht op uw cliënt uit te schrijven bij de KvK. (…) De 2000 emails die zij tijdens haar “ziekte” heeft verwijderd (…) zijn inmiddels hersteld en het AB is verder geschokt over de verdere bevindingen van (financieel) wangedrag, die cliënten des te meer sterken en nopen om verdere stappen jegens uw cliënt te entameren.
(…)
Uw voorstel kunnen cliënten niet accepteren, al is het maar omdat cliënten gebonden zijn aan het bepaalde in de Wet Normering Topinkomens (WNT), zoals uw cliënt dat behoort te weten.
Een ontslagvergoeding (inclusief opzegtermijn en andere emolumenten) kunnen op basis van de WNT niet meer bedragen dan Euro 75.000,- bruto. Daarnaast zou uw cliënt aanspraak kunnen maken op een transitievergoeding en een nabetaling voor een zwangerschapsverlof (voor zover ze daar recht op heeft).
In het geval uw cliënt bereid is om een vaststellingsovereenkomst te tekenen met daarin onder meer een mediaverbod, een geheimhoudingsverklaring en een verbod om zich negatief over(de basisschool en de Stichting, hof)
uit te laten, onder last van een dwangsom, zouden cliënten een regeling in overweging kunnen nemen.
Binnen de grenzen van de WNT stelt cliënt voor om aan uw cliënt te betalen een alles inclusief bedrag van Euro 100.000,-- bruto (in één keer).
Herstel van de arbeidsrelatie is niet aan de orde, behoudens op kunstmatige wijze door (en met als enige doel om) de vaststellingsovereenkomst UWV-proof te maken tegen de eerst mogelijke kalendermaand, doch uiterlijk tegen
01.11.2019 (binnen het budget van Euro 100.000,-- bruto en binnen de grenzen van de WNT), waarbij uw cliënt zich in dat geval hersteld dient te melden en het risico van ziekte vanaf einddatum volledig bij uw cliënt zal komen te
liggen. (…)
Dit voorstel wordt gedaan in de vorm van "take it or leave it", met de nadruk op het maximum budget van Euro 100.000,- bruto en het streven om zo spoedig als mogelijk, doch uiterlijk per 01.11.2019 (binnen het genoemde budget), definitief en tegen finale kwijting over en weer; uit elkaar te gaan.
Dit voorstel is geldig gedurende 3 werkdagen (…); en zal moeten worden gegoten in de vorm van een vaststellingsovereenkomst als hierboven omschreven.
(…)”
[advocaat 1] stuurde voornoemde mail door aan [appellante] met de volgende toelichting:
“Zie hieronder de reactie van het AB.
Je moet ten eerste door de ronkende teksten heen lezen. Dan zie je een wat andere insteek, maar wel een hoge eindvergoeding die ze bieden.
Zullen we maandag telefonisch overleggen (…)”
Later voegde hij daar bij e-mail het volgende aan toe:
“[advocaat 2] belde (…).
Waar hij waarschijnlijk vooral over belde was het volgende. Hij gaf aan dat de Inspectie op 18/9 op school zal komen en dat de Inspectie dan ook met jou zou willen spreken. In de geest van de afspraken die partijen met de vaststellingsovereenkomst (vso) willen maken, vindt hij dat niet voor de hand liggen.
Ik kan me daar iets bij voorstellen; zij zoeken natuurlijk rust en kopen – zo zullen zij dat althans zeker zien – jou kritiek ook gedeeltelijk af met de vso. (…)”
Bij e-mail van 9 september 2019 schreef [advocaat 1] aan [advocaat 2]:
“(…) Namens cliënte laat ik u weten dat zij om haar moverende reden het voorstel wil accepteren op de volgende wijze:
- De einddatum wordt 1 januari 2020. Dit is noodzakelijk in verband met de opzegtermijn. Willen partijen de zaak "UWV- en Participatiefonds proof” maken dan is dat een eerste voorwaarde.
- De vaststellingsovereenkomst moet dus in september 2019 door partijen ondertekend en ook overigens inderdaad "UWV-proof” zijn. Verder wil cliënte ook meewerken om de zaak voor uw cliënte Participatiefonds proof te maken.
- Cliënte zal zich vóór 1 december 2020 hersteld melden. Zij blijft tot 1 januari 2020 vrijgesteld van werkzaamheden onder behoud van volledige bezoldiging.
- Over en weer geen negatieve uitlatingen, geheel geen contact meer tussen partijen, simpel samengevat volledige rust en radiostilte van en tussen alle betrokkenen.
- Eindvergoeding, uit te keren in januari 2020, van € 100.000,00 bruto en all-inclusive.
Graag zie ik een concept vaststellingsovereenkomst, waarin het bovenstaande is uitgewerkt, tegemoet.”
Eind september 2019 hebben [appellante] en de Stichting een vaststellingsovereenkomst getekend. Deze bevat onder meer de volgende bepalingen:
1. Beëindiging arbeidsovereenkomst
1.1
De tussen Partijen bestaande arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden per 1 januari 2020. (…) Partijen hebben bij het bepalen van deze einddatum rekening gehouden met de tussen partijen geldende opzegtermijn van 3 maanden.
1.2
De Werknemer maakt aanspraak op een vergoedingsbedrag van alles inclusief een bedrag ter hoogte van Euro 100.000. Dit bedrag is alles inclusief en houdt in de transitievergoeding, de billijke vergoeding (maximaal een bedrag van € 40.000,- bruto), een outplacementvergoeding, een vergoeding voor de juridische kosten, een vergoeding voor het zwangerschapsverlof, een vergoeding voor de niet opgenomen vakantiedagen en al het overige waar Werknemer aanspraak op wenst te maken.
(…)

2.Vrijstelling van werk

2.1
Werknemer is vanaf 01.09.2019 tot de Einddatum vrijgesteld van de verplichting om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten teneinde haar in staat te stellen een dienst betrekking elders te vinden.
(…)
2.3
Tot de Einddatum ontvangt Werknemer haar salaris inclusief vakantietoeslag en overige emolumenten waarop zij uit hoofde van de arbeidsovereenkomst aanspraak heeft. (…)

3.Eindafrekening

3.1 “
De eindafrekening vindt plaats uiterlijk in de eerste week van februari 2020. De betaling van de eindafrekening vindt plaats uiterlijk in de tweede week van februari 2020. Het bedrag van Euro 100.000,- bruto omvat al het verschuldigde dat aan Werknemer door Werkgever betaald moet worden. , (…)
3.2
Eventuele opgebouwde, doch niet-genoten vakantiedagen worden geacht per de Einddatum door Werknemer te zijn opgenomen, zodat ter zake daarvan geen uitbetaling zal plaatsvinden.
(…)

5.Arbeidsongeschiktheid bij/na einde dienstverband

5.1
Werknemer zal per datum ondertekening van de Vaststellingsovereenkomst zich hersteld melden en zal hersteld uit dienst gaan. Indien Werknemer voor de Einddatum Arbeidsongeschikt raakt, leidt dit niet tot wijziging van de gemaakte afspraken in deze overeenkomst
(…)
5.4
In het geval Werknemer zich niet uiterlijk binnen 4 weken na ondertekening van deze Overeenkomst hersteld meldt en/of in het geval Werknemer binnen 4 weken na het einde van de arbeidsovereenkomst (….) arbeidsongeschikt raakt (…) vervalt de vergoeding van Euro 100.000,- bruto als bedoeld in artikel 1.2

10.Slotbepaling

(…)

10.4
Voor zover enige bepaling van deze overeenkomst, of een onderdeel daarvan, niet rechtsgeldig zou zijn, laat dan de geldigheid van de overige bepalingen onverlet. In dat geval zullen partijen de nietige bepaling(en) vervangen, overeenkomstig doel en strekking van deze overeenkomsten, en wel zodanig dat de nieuwe bepaling zo weinig mogelijk verschilt van de ongeldige bepaling.”
[appellante] heeft zich per 18 september 2019 hersteld gemeld.
Bij e-mail van 3 februari 2020 schreef [advocaat 2] aan [advocaat 1]:
“In de bijlage ontvangt u het positief getuigschrift voor uw cliënt; tevens per gewone post.
Tevens ontvangt u een memorandum van het accountantsbureau BDO.
Het accountantsbureau BDO concludeert in haar memorandum dat cliënt niet mag overgaan tot het betalen van het bedrag van Euro 100.000,- bruto. BDO geeft uitdrukkelijk aan dat slechts Euro 50.775,- bruto mag worden
uitbetaald. (…)
Cliënt wenst graag de afspraken met uw cliënt na te komen om haar die Euro 100.000,-- bruto te betalen, alleen zal zij op basis van het memorandum van haar accountantsbureau niet tot uitbetaling kunnen overgaan.
Als onverschuldigd betaald zou iedere belanghebbende het betaalde in dat geval kunnen terugvragen. De bestuurders die in strijd met de WNT een betaling goedkeuren riskeren persoonlijke aansprakelijkheid.
Een betaling in strijd met de WNT is juridisch uitgesloten. In het geval van nietigheid van één beding, blijven de overige onderdelen van de vaststellingsovereenkomst in stand conform artikel 10.4 van de
Vaststellingsovereenkomst.
Cliënt staat zich gesteld voor het feit dat het afgesproken bedrag aan vergoeding in strijd is met de bepalingen van de WNT en voor zover sprake is van overtreding van de WNT, zijn de bepalingen die in strijd zijn met de WNT nietig.
Voor nu heeft te gelden dat BDO gelijk heeft en dat cliënt geen uitvoering kan geven aan de Vaststellingsovereenkomst voor zover die in strijd is met de WNT. Cliënt voorziet thans geen andere uitkomst.
Als u opties ziet (in overeenstemming met de WNT), die maken dat BDO haar conclusie moet bijstellen, vernemen wij dat graag van u.
Zo niet zal cliënt, overgaan tot uitbetaling op basis van de conclusie van BDO.”
Op 4 februari 2020 stuurde [advocaat 1] de bovenstaande e-mail van 3 februari 2020 door aan [appellante] en schreef:
“Hierbij het getuigschrift.
De rest van het bericht is echter geen goed nieuws; de wederpartij stelt niet de hele ontslagvergoeding uit te kunnen betalen, in verband met het maximum van de wet normering topinkomens (WNT).
Dit laatste is een ingewikkeld vraagstuk. De eerste vraag is, of de wederpartij dit nu direct aan BDO voor had moeten leggen. Mogelijk is een tegenrapportage mogelijk; het lijkt mij op voorhand dat deze accountant niet alle omstandigheden heeft meegewogen.
Het zal echter tijd kosten om dit beter te bestuderen en met een reactie te komen. Ik zal er mee aan de slag gaan – mogelijk schakel ik hierbij een collega in, omdat ik op dit moment een hele volle agenda heb – en kom er dan z.s.m. meer inhoudelijk bij je op terug.”
De Stichting heeft uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst op 13 februari 2020 € 50.775,- bruto (€ 24.997,01 netto) aan [appellante] betaald.
[appellante] heeft [advocaat 3] van Van Dijk c.s. Advocaten (hierna: [advocaat 3]) in de arm genomen. [advocaat 3] heeft [geïntimeerden] benaderd met de vraag op welke wijze de problematiek opgelost zou kunnen worden. Daarbij heeft hij erop gewezen dat het probleem waarschijnlijk is ontstaan door onzorgvuldig handelen van [advocaat 1].
Bij e-mail van 13 maart 2020 schreef [advocaat 4] van [geïntimeerden] aan [advocaat 3]:
“Uw mail van 27 februari jl. besprak ik met [advocaat 1]. In reactie op uw vragen kan ik u het volgende mededelen.
1.
Bij het aanbod tot uitbetaling van de overeengekomen vergoeding is door Smart(de Stichting, hof)
uitdrukkelijk aan de WNT gerefereerd (…). Beide partijen waren zich dus bewust van de WNT. De WNT en de consequenties daarvan zijn in het overleg met cliënte en met [advocaat 2] aan de orde geweest. Smart heeft het voorstel derhalve uitdrukkelijk gedaan na bestudering van de WNT. Dat partijen van mening waren dat het door Smart aangeboden all-in bedrag van 100.000 euro binnen de WNT-norm zou blijven, had onder andere te maken met de forse loonvordering van cliënte op Smart vanwege het doorwerken gedurende zwangerschapsverlof.
2.
Waar Smart als gevolg van het standpunt van haar accountant terugkomt op een overeenkomst die haar advocaat in het licht van de WNT rechtsgeldig achtte, is het aan Smart om met een voor haar accountant aanvaardbare oplossing te komen waarmee zij alsnog tot betaling van de overeengekomen vergoeding kan overgaan. Daarbij merk ik op dat artikel 10.4 van de vaststellingsovereenkomst partijen verplicht tot overleg ingeval van partiele nietigheid.
3.
Ons kantoor is mevrouw [appellante] graag van dienst bij het incasseren van de tussen partijen overeengekomen vergoeding, De daaraan verbonden kosten voor rechtsbijstand zullen wij bij haar in rekening brengen; kosteloze dienstverlening is niet aan de orde omdat, zoals de inhoud van punt 1 hierboven reeds impliceert, de ontstane situatie niet aan [advocaat 1] te verwijten is.
Graag verneem ik van u of mevrouw [appellante] gebruik wil blijven maken van onze diensten.”
[appellante] heeft [geïntimeerden] geen nadere opdracht verstrekt. [advocaat 3] heeft [geïntimeerden] aansprakelijk gesteld.
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering van [geïntimeerden] heeft aansprakelijkheid bij e-mail van 7 mei 2020 afgewezen en deze afwijzing aldus gemotiveerd:
“Tot op heden heeft u namens uw cliënte de beweerdelijke beroepsfout van verzekerde niet voldoende onderbouwd. Het ligt op de weg van uw cliënte, nu zij aanspraak op schadevergoeding maakt, om te onderbouwen hoe verzekerde volgens haar had kunnen en moeten adviseren en hoe in dat geval de
(vermogens)situatie eruit zou hebben gezien ten opzichte van de huidige (vermogens)situatie.
Daar u aangeeft dat u het aanvechten van het ontslag kansrijk achtte, ligt het op uw weg om dat nader te onderbouwen. (…)
Het klopt dat er door verzekerde geen plan van aanpak op schrift is gesteld, gelet op de spoedeisendheid van de zaak. Verzekerde moest snel handelen en heeft de mogelijkheden daarom mondeling met uw cliënte besproken. Zoals wij eerder aangaven ging de voorkeur van uw cliënte uit naar een minnelijke regeling om zo snel mogelijk het geschil te kunnen beëindigen en er zeker van te zijn dat haar een vergoeding toekwam. Naast dat een gerechtelijke procedure veel tijd in beslag zou nemen en in de publiciteit zou komen, waren er ook risico's aan verbonden die de nodige stress zouden meebrengen.
Daarnaast bestond het risico dat er geen uitkering zou worden verkregen wegens het verwijtbare ontslag. Uw cliënte zou dan met lege handen komen te staan.
Het tegenvoorstel van de werkgever is wel degelijk met uw cliënte besproken alvorens zij daarmee akkoord ging en haar handtekening onder de vaststellingsovereenkomst zette, die zij overigens gehouden was om goed door te nemen en bij onduidelijkheden vragen te stellen. Daarbij benadrukken wij dat uw cliënte zelf jurist is en goed op de hoogte was waarop zij aanspraak kon maken om een weloverwogen beslissing te kunnen maken. Ongeacht wat er is besproken tussen verzekerde en uw cliënte, blijkt uit niets dat uw cliënte meer uit de deal kon halen en dat verzekerde op basis daarvan uw cliënte had moeten adviseren om het tegenvoorstel af te wijzen. Gelet op het feit dat uw cliënte is ontslagen, omdat zij de toezichthoudende bestuurders had uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel en zij daartoe niet als uitvoerend bestuurder bevoegd was, is de kans klein dat zij meer uit de deal kon halen. Dat de werkgever vervolgens een beroep doet op de WNT, (…), kan verzekerde niet worden verweten en kon zij ook niet voorkomen, hetgeen de situatie van uw cliënte niet anders maakt. (…) Wij menen dan ook dat er naast het ontbreken van een beroepsfout geen causaal verband bestaat tussen de beweerdelijke beroepsfout van verzekerde en de vermeend geleden schade van uw cliënt, die tot op heden evenmin door uw cliënte is aangetoond.
Indien uw cliënte desalniettemin aanspraak wenst te maken op schadevergoeding jegens verzekerde zal zij eerst op grond van haar schadebeperkingsplicht de werkgever ertoe moeten aanzetten dat zij alsnog haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst nakomt. Indien de werkgever daarin nalatig blijft, kan
zij óf verzekerde opdracht geven om haar daarin bij te staan óf u. (…) Voor de volledigheid verwijzen wij nog naar de e-mail van 13 maart 2020 waarin verzekerde een duidelijk advies geeft over het aanspreken van de werkgever.”
Bij brief van 18 september 2020 heeft [advocaat 5] van Roy advocaten (hierna: [advocaat 5]) [geïntimeerden] namens [appellante] nogmaals aansprakelijk gesteld. [advocaat 5] schreef onder meer:
“(…)
U begrijpt dat cliënte naast de gevorderde schade tevens aanzienlijke gevolgschade lijdt aangezien zij niet over haar vergoeding kan beschikken, terwijl uw kantoor c.q. [advocaat 1] terzake geadviseerd heeft.
Het ligt op uw weg c.q. van uw assuradeur om cliënte te laten beschikken over het bedrag dat u voor haar heeft bedongen. Hierbij verzoek ik u dan ook - in het kader van schade beperking - tegen behoorlijk bewijs van kwijting het bedrag ad
€ 75.002,99 binnen 14 dagen na heden te voldoen (…)”
[appellante], bijgestaan door [advocaat 5], heeft de Stichting gedagvaard voor de rechtbank Limburg en geprobeerd haar zo tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst te bewegen. Dit heeft op 29 juni 2021 geleid tot een schikking waarbij partijen zijn overeengekomen dat de Stichting een bedrag van € 25.000,- (incl BTW, netto) aan juridische kosten zal betalen.
[appellante] heeft na het einde van de dienstbetrekking bij de Stichting enige tijd aanspraak gemaakt op een WW-uitkering. Daarna is zij in dienst getreden van de Islamitische Stichting Nederland. Op 12 oktober 2020 is zij opnieuw wegens ziekte uitgevallen. Zij is met ingang van 10 oktober 2022 in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering en ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen (de AOV-uitkering).

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellante] heeft [geïntimeerden] gedagvaard en – voor zover nu nog van belang – een verklaring voor recht gevorderd dat [geïntimeerden] aansprakelijk is voor het ernstig en verwijtbaar tekortschieten in de nakoming en zorgplicht van haar verbintenis met [appellante], waarvan de schade op te maken bij staat, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.
4.2
[appellante] heeft daartoe gesteld dat zij zich tot [geïntimeerden] heeft gericht, omdat [advocaat 1] ruime ervaring zou hebben op het gebied van Onderwijsrecht, terwijl [geïntimeerden] op haar website ook melding maakte van de invloed van de WNT op onderwijsgebied. [advocaat 1] moet dus geacht worden op de hoogte te zijn geweest van de WNT, maar toch heeft hij [appellante] nooit gewaarschuwd voor de risico’s van de WNT voor de vaststellingsovereenkomst. Het bedrag van € 100.000,- had moeten worden uitgesplitst in verschillende componenten. Het bedrag bestond immers uit een beëindigingsvergoeding en andere (loon)vorderingen die [appellante] op de Stichting had. Als het bedrag zou zijn uitgesplitst en gespecificeerd, dan was duidelijk geweest dat de overeengekomen beëindigingsvergoeding niet boven het maximum van € 75.000,- van de WNT kwam.
[advocaat 1] heeft [appellante] geadviseerd te kiezen voor haar mentale rust en daarom de geboden vaststellingsovereenkomst te accepteren. Hij heeft echter nooit met haar over alternatieven gesproken. [appellante] betwist het standpunt van [geïntimeerden] dat het aanvechten van het ontslag niet kansrijk was. Dat [advocaat 1] er zo over dacht, heeft hij ook nooit met haar besproken. Tot slot heeft [advocaat 1] [appellante] onjuist geadviseerd over de fiscale en andere financiële consequenties van de vaststellingsovereenkomst (beroepsfout 2), aldus nog steeds [appellante].
4.3
De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [geïntimeerden] niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen en daarom is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met [appellante] en heeft [geïntimeerden] in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank overwoog daartoe – kort samengevat – dat [advocaat 1] ten onrechte in de gesloten vaststellingsovereenkomst geen onderscheid heeft gemaakt tussen de verschillende looncomponenten en wettelijke rechten enerzijds en de vergoeding als gevolg van de beëindiging van het dienstverband anderzijds. De overige vorderingen (waaronder de verwijzing naar de schadestaat en de beroepsfout eruit bestaande dat [advocaat 1] niet in ogenschouw heeft genomen wat de gevolgen van de fiscale- en uitkering- gerelateerde gevolgen van vaststellingsovereenkomst zouden zijn) heeft de rechtbank afgewezen, omdat [appellante] onvoldoende feiten heeft gesteld op grond waarvan het bestaan en de omvang van de aan [geïntimeerden] toe te rekenen schade kan worden vastgesteld en op grond waarvan geoordeeld kan worden dat [advocaat 1] op dit vlak beroepsfouten heeft gemaakt.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellante] is in hoger beroep gekomen en verzoekt om vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de rechtbank schadevergoeding heeft afgewezen. Zij heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd en vordert – zakelijk weergegeven – de veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van
- € 30.270,- € 30.270,- netto ter zake van niet ontvangen looncomponenten, althans onderdelen van de beëindigingsregeling die niet onder de WNT hoeven te vallen;
- € 62.827,92 bruto ter zake van niet ontvangen ontslagvergoeding, althans billijke vergoeding;
- € 9.823,98 bruto per maand bij wijze van suppletie op de AOV-uitkering van ABP aan [appellante], en € 10.077,26 met ingang van 10 december 2022;
alle bedragen vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van beide instanties.
5.2
[appellante] wil met dit hoger beroep bereiken dat het hof alsnog haar schade vaststelt. Zij heeft daartoe nader toegelicht welke tekortkomingen naar haar oordeel kleefden aan de advisering door [advocaat 1] en welke schade zij als gevolg daarvan heeft geleden. Zij meent dat de rechtbank de door haar gestelde beroepsfout 2 ten onrechte heeft afgewezen.
5.3
[geïntimeerden] eist in incidenteel hoger beroep – zakelijk weergegeven – de vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarbij de vordering van [appellante] is toegewezen. Zij kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat [advocaat 1] een beroepsfout heeft gemaakt. [geïntimeerden] vordert dat de vorderingen van [appellante] alsnog integraal worden afgewezen, met veroordeling van [appellante] tot terugbetaling van al hetgeen [geïntimeerden] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [appellante] heeft voldaan, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties.

6.Beoordeling in hoger beroep

Heeft [advocaat 1] beroepsfouten gemaakt?

6.1
Het hof zal beginnen met beantwoording van het meest verstrekkende verweer van [geïntimeerden] dat het verwijt van [appellante] dat [advocaat 1] beroepsfouten heeft gemaakt, onterecht is.
6.2
[appellante] stelt zich in hoger beroep op het standpunt – zo begrijpt het hof – dat [advocaat 1] niet heeft voldaan aan de voor advocaten geldende zorgvuldigheidsnorm, omdat [advocaat 1] de afzonderlijke looncomponenten waarop [appellante] nog aanspraak kon maken bij het einde van het dienstverband (niet genoten vakantie, zwangerschaps- en bevallingsverlof) had moeten inventariseren. Hij heeft [appellante] daarover echter nooit bevraagd. Als hij dat wel zou hebben gedaan, zou hem zijn gebleken dat [appellante] alleen op basis daarvan al recht had op meer dan € 100.000,- bruto. Dan zou hij haar ook niet hebben geadviseerd het aanbod van 6 september 2019 te aanvaarden vanwege de
“hoge eindvergoeding”, want dan zou hem zijn gebleken dat het aanbod van € 100.000,-, niet één cent beëindigingsvergoeding bevatte. Als [advocaat 1] [appellante] hierover goed had geïnformeerd, dan zou zij de voorgestelde regeling nooit hebben geaccepteerd. Mede als gevolg van het feit dat [appellante] overduidelijk als gevolg van overbelasting door de werkgever is uitgevallen, is het immers alleszins aannemelijk dat zij een hoge ontslagvergoeding had kunnen krijgen.
6.3
Omdat [advocaat 1] geen berekening heeft gemaakt van de verschillende looncomponenten waarop [appellante] recht had, heeft hij haar ook niet kunnen adviseren over het bedrag waarop zij zonder meer recht had, ook als het ontslag op staande voet terecht zou zijn gegeven. [advocaat 1] heeft haar daarom ten onrechte geadviseerd het aanbod van de Stichting te aanvaarden. Het is immers gebruikelijk dat een werkgever die een vaststellingsovereenkomst voorstelt na een ontslag op staande voet tenminste de looncomponenten betaalt waarop de werknemer sowieso recht heeft, plus het loon over de volledige opzegtermijn. Outplacement tot een bedrag van € 5.000,- is volgens [appellante] ook nooit een discussiepunt. Dit betekent dat een bedrag van € 100.000,- in ieder geval niet toereikend was. [advocaat 1] heeft dit alles ten onrechte niet met haar besproken.
6.4
[advocaat 1] heeft evenmin in ogenschouw genomen dat de WNT bepaalt dat de periode waarin de topfunctionaris niet werkt maar wel loon krijgt doorbetaald, valt onder de ontslagvergoeding. Daar [appellante] feitelijk sinds juli 2019 ziek was, was het beter geweest haar kort voor het einde van de arbeidsovereenkomst hersteld te melden, met de verplichting zich niet binnen vier weken na het einde van het dienstverband in verband met dezelfde ziekte ziek te melden. Dan was geen sprake geweest van (onder de WNT vallende) vrijstelling van werkzaamheden. Al deze looncomponenten had [appellante] WNT-proof kunnen ontvangen als [advocaat 1] zou hebben geadviseerd de bedragen te specificeren in de vaststellingsovereenkomst, hetgeen hij heeft nagelaten. Als gevolg hiervan heeft zij (zelfs) het overeengekomen bedrag van € 100.000,- niet ontvangen.
6.5
Doordat [advocaat 1] er niet op heeft toegezien dat de wettelijke en contractuele rechten van [appellante] afzonderlijk waren benoemd in de vaststellingsovereenkomst, zijn volgens [appellante] ook haar WIA-uitkering en ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen (de AOV-uitkering) te laag vastgesteld. De uitkeringsorganen beschouwen immers de “all inclusive-uitkering” niet als (gedeeltelijk) loon, maar volledig als beëindigingsvergoeding. Ook moest zij inkomensafhankelijke toeslagen terugbetalen doordat de beëindigingsvergoeding door de belastingdienst is meegenomen bij haar inkomen over 2019 in plaats van 2020.
6.6
Verder verwijt [appellante] [advocaat 1] dat in de door hem uitonderhandelde vaststellingsovereenkomst niet duidelijk staat dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd op initiatief van de Stichting, zodat zij geen aanspraak kon maken op de (buiten de WNT vallende) transitievergoeding. Ook verwijt [appellante] [advocaat 1] dat hij in zijn advisering niet heeft meegewogen dat zij overduidelijk door toedoen van de Stichting als gevolg van overbelasting is uitgevallen. De Stichting heeft haar immers niet in de gelegenheid gesteld haar vakanties en zwangerschaps-/bevallingsverlof op te nemen. [appellante] had op basis daarvan een (hoge) ontslagvergoeding kunnen claimen. [advocaat 1] heeft dat ten onrechte niet in zijn advisering meegewogen.
6.7
[geïntimeerden] betwist dat zij/[advocaat 1] in de advisering over de regeling tekort is geschoten. Zij erkent dat [advocaat 1] wist dat de WNT op de vertrekregeling van toepassing was. Onder meer vanwege de volgens [appellante] grote loonvordering op de Stichting is de all-in vergoeding van € 100.000,- overeengekomen. De inhoud van de vertrekregeling kan echter niet los worden gezien van de omstandigheden van het geval, zoals de lastige sociale positie waarin [appellante] verkeerde en haar – mede door haar gezondheidstoestand ingegeven – uitdrukkelijke wens om de kwestie te regelen, de tijdsdruk en de risico’s die kleefden aan een procedure als [appellante] het voorstel niet zou accepteren, zoals het risico dat [appellante] niet in aanmerking zou komen voor WW in het reële geval dat het door de Stichting gegeven ontslag op staande voet in rechte in stand zou blijven. Uit niets blijkt voorts dat de Stichting de bedragen waarop [appellante] meent aanspraak te hebben kunnen maken, zou hebben erkend.
6.8
Het is volgens [geïntimeerden] uitdrukkelijk niet zo dat [appellante] de betaling van het schikkingsbedrag niet heeft kunnen afdwingen omdat de verschillende componenten die onderdeel uitmaken van dit bedrag niet gespecificeerd waren. Over de WNT-norm maakte [appellante], die fiscaal jurist is, zich geen zorgen vanwege de grote loonvordering die zij op de Stichting stelde te hebben.
6.9
De voorkeur van [appellante] zelf ging uit naar een minnelijke regeling, zij had niet de energie zich te (blijven) verzetten tegen de directeur van de basisschool en het algemeen bestuur van de Stichting en zij voelde zich onder druk staan van de Turkse gemeenschap. Zo bemoeide zelfs de voorzitter van de Moskee zich met het conflict. Het aanvechten van het ontslag was overigens volgens [geïntimeerden] – nadat was gebleken dat de uitschrijving van een aantal AB-bestuursleden in strijd met de statuten en dus onbevoegd was gebeurd – niet erg kansrijk. Een schikking was dan ook de meest verstandige weg. [advocaat 1] heeft dit aan de Stichting laten weten en daarna heeft de Stichting het “take it or leave it” voorstel van € 100.000,- bruto gedaan. [appellante] heeft besloten op dit voorstel in te gaan, de einddatum van het dienstverband moest dan wel gesteld worden op 1 januari 2020 om de vaststellingsovereenkomst “UWV- en Participatiefonds-proof” te maken. De Stichting is daarmee akkoord gegaan, aldus nog steeds [geïntimeerden].
6.1
Daarbij heeft volgens [geïntimeerden] te gelden dat het nadrukkelijk niet zo is dat partijen het eens waren over (de omvang van) de loonvordering vanwege het niet genoten verlof en niet opgenomen vakantiedagen. In het verlengde daarvan heeft te gelden dat niet kan worden uitgegaan van het bedrag van € 149.043,58 bruto, waarvan [appellante] nu stelt dat dit altijd door de Stichting aan haar betaald had moeten worden, zelfs als het ontslag op staande voet in een procedure in stand zou zijn gebleven. De Stichting heeft nooit erkend dat zij in dit verband enig achterstallig bedrag aan [appellante] verschuldigd was. Daarbij komt dat wettelijke vakantiedagen na een half jaar vervallen en bovenwettelijke vakantiedagen na vijf jaar verjaren. Ook de transitievergoeding was in rechte bepaald geen gegeven, en een billijke vergoeding nog veel minder. [appellante] verwijt de Stichting wel dat zij structureel werd overbelast, maar dat blijkt nergens uit, bovendien was zij daar als bestuurder zelf bij.
6.11
Daarnaast heeft te gelden dat als [appellante] al gevolgd zou worden over wat onder de WNT allemaal mogelijk zou zijn geweest, er rekening mee moet worden gehouden dat [appellante] tijdens de opzegtermijn is doorbetaald en dat zij in dat geval kosten had moeten maken voor het aanvechten van het ontslag op staande voet. Het verschil is dus bepaald kleiner het door [appellante] gestelde bedrag van € 30.270,-. Daardoor is het niet aannemelijk dat [appellante] het – gelet op haar penibele bewijspositie – zou hebben laten aankomen op een procedure en het mogelijk verspillen van haar recht op WW.
6.12
[appellante] is kennelijk in oktober 2020 uitgevallen wegens ziekte en in oktober 2022 in aanmerking gekomen van een WIA-uitkering. Dit is niet een omstandigheid waarmee [advocaat 1] rekening had moeten of kunnen houden. Het causaal verband ontbreekt en deze schade kan niet in redelijkheid worden toegerekend ex art. 6:98 BW nu er sprake is van een te ver verwijderd verband. Van een beroepsfout is dan ook geen sprake. Verder volgt nergens uit dat de Stichting bij een voorstel tot uitsplitsing de verschuldigdheid van die bedragen had erkend, en deze bedragen dan ook in de vaststellingsovereenkomst zouden zijn opgenomen. Ten slotte heeft te gelden dat [appellante] niet heeft onderbouwd dat het WIA-jaarloon bij de door haar voorgestane uitsplitsing € 188.409,82 zou hebben (moeten) bedragen. Het is onwaarschijnlijk dat een uitkering wegens inkomstenterugval tot een hoger bedrag zou leiden dan haar bruto jaarloon van € 86.520,53
6.13
Voor het geval het hof [geïntimeerden] zou willen veroordelen tot vergoeding van enige schade doet [geïntimeerden] – gelet op de omstandigheden van het geval en dan met name het feit dat [appellante] fiscalist is – een beroep op eigen schuld van [appellante]. Aldus nog steeds [geïntimeerden]
6.14
Het hof overweegt als volgt.
Een advocaat moet de zorgvuldigheid betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in vergelijkbare omstandigheden mag worden verwacht. Wanneer een advocaat een cliënt adviseert in het kader van een door een cliënt te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, brengt de hiervoor bedoelde zorgvuldigheidsplicht mee dat de advocaat de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen (vgl. HR 2 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4564, NJ 2007/92). Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn. Een advocaat moet zelfstandig beoordelen wat voor de zaak van nut kan zijn en daarnaar handelen en mag zich niet beperken tot de verrichtingen waarom zijn cliënt uitdrukkelijk heeft gevraagd (HR 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0303).
6.15
Naar het oordeel van het hof brengt de zorgvuldigheidseis mee, dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat die een client moet adviseren over een gegeven ontslag op staande voet, allereerst moet nagaan of de cliënt het gegeven ontslag op staande voet in rechte wenst aan te vechten, of wil streven naar de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door een vaststellingsovereenkomst. Hij zal daar een adviserende rol in hebben. Een ontslag op staande voet heeft immers vergaande gevolgen voor (onder meer) het recht op loonbetaling en het recht op een eventuele uitkering van zijn cliënt. Het risico dat het ontslag op staande voet in rechte in stand blijft zal hij in zijn advisering dienen te betrekken. Vaak zal daarom een minnelijke regeling te prefereren zijn, zeker als de cliënt dat ook zelf wenst. In het geval de advocaat en zijn client tot de slotsom komen dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst de voorkeur geniet, dan dient een advocaat zijn cliënt op een zorgvuldige wijze te adviseren over de inhoud van een dergelijke overeenkomst. Omdat bij het sluiten van een dergelijke overeenkomst finale kwijting gebruikelijk is, mag van een redelijk handelend, redelijk bekwaam advocaat worden verwacht dat hij inventariseert of en zo ja tot welke hoogte zijn cliënt (waarschijnlijk) aanspraak heeft op (loon)betalingen en betaling voor nog openstaande vakantie- of verlofdagen, ongeacht of het ontslag op staande voet in stand blijft, en dat hij tevens een inschatting maakt van de kans op aanspraken die daarbij zouden komen indien in rechte zou komen vast te staan dat het ontslag ten onrechte blijkt te zijn gegeven (zoals transitievergoeding, billijke vergoeding en een vergoeding vanwege onregelmatige opzegging). Indien de client een topfunctionaris is in de zin van de WNT, zal de advocaat deze omstandigheid en de consequenties daarvan voor het aangaan van een minnelijke regeling bij zijn advisering moeten betrekken. Ook dient hij de risico’s van procederen in zijn overwegingen ten aanzien van een minnelijke regeling te betrekken. Is de inzet in de onderhandelingen om tot een vaststellingsovereenkomst te komen te hoog, en komt geen regeling tot stand, dan zal het immers op procederen aankomen.
6.16
[geïntimeerden] heeft niet, althans onvoldoende, weersproken dat [advocaat 1] deze stappen niet voor [appellante] inzichtelijk heeft gemaakt alvorens hij haar adviseerde de bij e-mail van 6 september 2019 geboden
“hoge eindvergoeding”van de Stichting te accepteren. In ieder geval staat vast dat [advocaat 1] zijn overwegingen bij dit advies niet schriftelijk aan [appellante] heeft medegedeeld, hoewel artikel 16 lid 1 van de Gedragsregels advocatuur van de Nederlandse Orde van Advocaten (de Gedragsregels) voorschrijft dat een advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil zijn cliënt schriftelijk belangrijke informatie bevestigt. Dat [appellante] [advocaat 1] niet op eigen initiatief een overzicht heeft verstrekt van de looncomponenten waarop zij meende nog aanspraak te kunnen maken, doet daaraan niet af. Een advocaat heeft hier – zoals ook blijkt uit artikel 14 lid 1 Gedragsregels – een eigen verantwoordelijkheid. [advocaat 1] had [appellante] dus om de bedragen van de diverse looncomponenten waarop zij nog aanspraak meende te kunnen maken moeten vragen en desnoods zelf een grove berekening kunnen maken. Hij wist immers dat het volgens [appellante] ging om substantiële bedragen (twee maal zwangerschaps- en bevallingsverlof, alsmede een stuwmeer aan niet opgenomen vakantiedagen). De door [geïntimeerden] genoemde tijdsdruk is naar het oordeel van het hof geen valide reden om van een dergelijke inventarisatie af te zien. Het is immers niet ongebruikelijk dat een partij druk op de andere partij probeert te zetten. Een advocaat dient daarmee om te kunnen gaan. Drie werkdagen is daarbij niet zodanig kort dat op voorhand moet worden vastgesteld dat een inventarisatie niet tot de mogelijkheden behoort.
6.17
Een redelijk handelend, redelijk bekwaam advocaat had ten behoeve van de advisering over een minnelijke regeling zoals gesteld, daarnaast een inschatting moeten maken van de kansen en risico’s van een eventuele procedure (hoe aannemelijk het is dat de dringende reden geen stand houdt en dus recht bestaat op transitievergoeding, een billijke vergoeding en gefixeerde vergoeding wegens onregelmatige opzegging). Bij de beoordeling van de dringende reden zijn volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden van het concrete geval relevant. [advocaat 1] had dus niet kunnen volstaan met de vaststelling dat aannemelijk was dat [appellante] daadwerkelijk achter de uitschrijving bij de Kamer van Koophandel (KvK) zat, maar had mee moeten wegen dat [appellante] ten tijde van haar verweten handelen – naar eigen zeggen – arbeidsongeschikt was wegens overbelasting en goede redenen had om tot de uitschrijving over te gaan en zij verder een onberispelijk dienstverband had. Ook had hij navraag moeten doen naar het verwijt van (financieel) wangedrag waaraan in de brief van 6 september 2019 is gerefereerd. [advocaat 1] heeft dit alles echter nagelaten en kennelijk op basis van het enkele feit dat [appellante] leden van het AB had uitgeschreven bij het handelsregister, zonder acht te slaan op / navraag te doen naar de overige omstandigheden geconcludeerd dat het ontslag op staande voet in een eventuele procedure stand zou houden. Dit wekt te meer verbazing omdat [advocaat 1] op 27 augustus 2019 nog een verband vermoedde tussen de brief van 19 augustus 2019 van [appellante] (waarin zij aankaartte dat dat het algemeen bestuur van de Stichting haar toezichthoudende taak niet naar behoren vervulde) en het voornemen tot ontslag van 26 augustus 2029, reden waarom hij toen nog het inschakelen van de PO-raad en onderwijsinspectie aangewezen achtte. [geïntimeerden] heeft niet toegelicht waar dit voortschrijdend inzicht / deze ommezwaai in denken van [advocaat 1] op gebaseerd was. [advocaat 1] heeft door na te laten voornoemde relevante omstandigheden in aanmerking te nemen en schriftelijk aan [appellante] toe te lichten waarom hij de geboden beëindigingsvergoeding van € 100.000,- onder de gegeven omstandigheden een hoge (passende) eindvergoeding achtte, de zorgvuldigheidsplicht geschonden die hij ten opzichte van haar hoorde te betrachten.
6.18
De omstandigheid dat [appellante] in eerste aanleg [advocaat 1] niet met zoveel woorden heeft verweten dat hij haar geadviseerd heeft akkoord te gaan met een deze (volgens [appellante] in hoger beroep) te lage beëindigingsvergoeding, betekent niet dat [appellante] dat verwijt niet in hoger beroep niet aan de tekortkoming ten grondslag mag leggen. Een hoger beroep mag immers ook worden gebruikt voor het verbeteren en aanvullen van de eerder in eerste aanleg ingenomen stellingen (vgl. HR 22-1-1999; ECLI:NL:HR:1999:ZC2831). Daarnaast – zo volgt uit art. 353 lid 1 Rv – mocht [appellante] op de voet van art. 130 Rv haar eis in hoger beroep vermeerderen. Van strijd met een goede procesorde is geen sprake.
6.19
Vaststaat dat partijen bij in de aanloop naar de vaststellingsovereenkomst op de hoogte waren van het feit dat de WNT van toepassing was, en dat dit met zich bracht dat de (onder de WNT-vallende) beëindigingsvergoeding in ieder geval niet meer mocht bedragen dan € 75.000,- bruto. Dit zo zijnde is het onbegrijpelijk dat [advocaat 1] zich niet heeft verdiept in de vraag welke bestandsdelen wel en welke niet worden gerekend tot de in artikel 2.10 WNT bedoelde uitkering wegens beëindiging van het dienstverband, en heeft volstaan met een niet nader gespecificeerd all-in bedrag van € 100.000,-. Daarmee heeft hij [appellante] blootgesteld aan het zeer reële risico van een beroep op nietigheid van de gemaakte afspraak wegens strijd met artikel 2.10 WNT, welk risico zich heeft verwezenlijkt.
6.2
Het enkele feit dat [advocaat 1] erop meende te kunnen vertrouwen dat het wel goed zat, omdat [appellante], die fiscaal jurist was, zich geen zorgen leek te maken, ontsloeg hem niet van zijn onderzoeksplicht (zie art. 14 van de Gedragsregels). Dat hij heeft nagelaten te onderzoeken of de WNT aan een all-in bedrag van € 100.000,- in de weg stond geldt dus eveneens als een tekortkoming, te meer daar [advocaat 2] hem er expliciet op had gewezen dat een ontslagvergoeding (inclusief opzegtermijn en andere emolumenten) op basis van de WNT niet meer kon bedragen dan Euro 75.000,- bruto.
6.21
Daar komt bij dat [advocaat 1] met het advies de beëindigingsvergoeding van € 100.000,- bruto als “alles inclusief” te accepteren op de koop toe heeft genomen dat bruto en netto bedragen bij elkaar werden opgeteld, en niet kenbaar aandacht heeft besteed aan eventuele (nadelige) fiscale- en uitkeringstechnische consequenties die dit voor [appellante] had/zou kunnen hebben. Ook in zoverre is sprake van een tekortkoming.
6.22
[appellante] heeft niet, althans onvoldoende kenbaar, een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [advocaat 1] geen invloed heeft gehad op de wijze waarop de belastingdienst en het UWV de in 2020 uitgekeerde beëindigingsvergoeding hebben verwerkt (als betrekking hebbende op 2019), zodat niet kan worden geoordeeld dat [advocaat 1] op dit vlak een beroepsfout heeft gemaakt. Voor zover [appellante] deze gestelde tekortkoming met haar persoonlijke verklaring (prod. 31 bij memorie van antwoord in incidenteel appel) alsnog probeert aan de orde te stellen, is dit te laat. Dit betekent dat het hof in zoverre geen beroepsfout aanneemt.
Schade
6.23
Daarmee rijst de vraag of en zo ja welke schade [appellante] heeft geleden als gevolg van de hiervoor vastgestelde tekortkomingen/beroepsfouten van [advocaat 1]. De schade bestaat - anders dan [appellante] lijkt te stellen - niet uit het bedrag dat [appellante] ‘WNT-proof’ had kunnen ontvangen. De schade moet worden vastgesteld door een vergelijking van de werkelijke situatie met de hypothetische situatie dat [advocaat 1] niet was tekortgeschoten. Degene die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is schade lijdt, dient met een schadevergoeding immers zoveel mogelijk te worden gebracht in de (hypothetische) situatie waarin hij zonder die gebeurtenis zou hebben verkeerd (vgl. HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998).
6.24
Het hof stelt vast dat [appellante] geen hypothetisch scenario heeft geschetst voor de situatie dat [advocaat 1] de geschetste beroepsfouten niet zou hebben gemaakt, maar heeft volstaan met het noemen van een aantal vergoedingen die zij niet heeft gekregen. Dat zij deze vergoedingen niet heeft ontvangen als gevolg van de beroepsfouten van [advocaat 1] heeft zij daarmee niet aannemelijk gemaakt. Zij heeft immers niet geschetst wat [advocaat 1] haar zou hebben geadviseerd, de beroepsfouten weggedacht, en heeft evenmin geschetst wat de reactie van de Stichting zou zijn geweest in dat denkbeeldige geval en hoe het einde van de arbeidsovereenkomst in dat geval vermoedelijk in het vat zou zijn gegoten. Dit betekent dat het hof thans niet in staat is de schade te begroten.
6.25
[appellante] heeft naar het oordeel van het hof echter wel voldoende gesteld om het oordeel op te baseren dat zij mogelijke schade als gevolg van de beroepsfouten aannemelijk heeft gemaakt. Zij heeft er op gewezen dat het eindbod van € 100.000,- van de Stichting niet zo hard is gebleken, dat het niet onderhandelbaar was. Immers toen [appellante] aangaf dat er een maand extra bij moest in verband met de opzegtermijn (van belang met het oog op een eventuele WW-uitkering), kwam vrijwel per kerende post een akkoord. [geïntimeerden] heeft dit niet weersproken (rov. 3.1 onder k en l). Bovendien schatte [advocaat 1] kennelijk ook zelf in dat de Stichting belang had bij een regeling en de kritiek van [appellante] op het functioneren van het AB wilde afkopen (rov. 3.1 onder j), hetgeen onderhandelingsruimte suggereert. Tot slot acht het hof aannemelijk dat, zoals volgens [appellante] gebruikelijk is, de Stichting er geen bezwaar tegen zou hebben gehad om – als [advocaat 1] daarom zou hebben gevraagd – een deel van de € 100.000,- als kostenvergoeding te labelen en als netto-bedrag uit te keren. Dit betekent dat [appellante] voldoende heeft gesteld voor een verwijzing naar de schadestaat. Volgens vaste jurisprudentie is voor een verwijzing naar de schadestaat immers voldoende dat het bestaan van schade of de mogelijkheid van schade als gevolg van de gestelde wanprestatie aannemelijk is.
6.26
Een verwijzing naar de schadestaat, met als gevolg een nieuwe procedure bij de rechtbank, acht het hof echter niet in het belang van partijen. Deze kwestie sleept al veel te lang. Het hof zal [appellante] daarom alsnog in de gelegenheid stellen te schetsen hoe naar haar mening de hypothetische situatie – de beroepsfouten van [advocaat 1] weggedacht – eruit zou hebben gezien. Het hof acht daarbij aannemelijk dat – in de situatie dat de beroepsfouten zich niet zou hebben voorgedaan – een redelijk handelend, redelijk bekwaam advocaat [appellante] zou hebben geadviseerd in te zetten op een minnelijke regeling. Niet alleen omdat dit de voorkeur had van [appellante], maar ook omdat een procedure waarin zij het ontslag op staande voet zou aanvechten, onder de gegeven omstandigheden te veel van haar zou vergen. Het hof stelt daarom [appellante] alsnog in de gelegenheid te schetsen hoe in het geval [advocaat 1] haar zorgvuldig zou hebben geadviseerd, zijn advies waarschijnlijk zou hebben geluid, wat zij zou hebben besloten en hoe naar haar mening vervolgens de onderhandeling met de Stichting zouden zijn verlopen en wat de waarschijnlijke uitkomst zou zijn geweest. Daarbij dient [appellante] ook te omschrijven welke fiscale consequenties dat scenario zou hebben gehad en wat de consequenties zouden zijn voor een eventuele uitkering. Door deze uitkomst af te zetten tegen de werkelijke situatie (waarin haar loon is doorbetaald tot 1 januari 2020 en zij daarnaast € 50.775,- bruto en € 25.000,- netto heeft ontvangen van de Stichting) kan [appellante] vervolgens haar schade toelichten.
6.27
[geïntimeerden] krijgt daarna de gelegenheid bij akte op het door [appellante] geschetste scenario te reageren. [geïntimeerden] kan dan meteen ook ingaan op de stukken die [appellante] heeft overgelegd bij haar memorie van antwoord in incidenteel appel, kennelijk als onderbouwing van haar standpunt dat aannemelijk is dat in een eventuele procedure de dringende reden geen stand zou houden.
6.28
Het hof is voornemens na deze aktewisseling een mondelinge behandeling te gelasten. Het hof verzoekt daarom [geïntimeerden] om haar akte vergezeld te doen gaan van een opgave van de verhinderingen van beide partijen voor de maanden maart tot en met juni 2026. Het hof zal dan zo spoedig mogelijk een datum bepalen.
6.29
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

7.Beslissing

Het hof:
  • verwijst de zaak naar de rol van vier weken na de dag van deze uitspaak voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellante] met het doel dat staat vermeld in rechtsoverweging 6.26 van dit arrest;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. M.J. van der Ven, mr. M.D. Ruizeveld en mr. P.S. Fluit en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.