Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 3 oktober 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2023;
- het arrest van dit hof van 9 januari 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
- de brief van [appellante], met producties 6 t/m 19;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 maart 2024;
- de memorie van grieven van [appellante], met bijlagen;
- de memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel van [geïntimeerden], met bijlagen;
- de memorie van antwoord van [appellante] in incidenteel appel, met bijlagen.
3.Feitelijke achtergrond
uit te laten, onder last van een dwangsom, zouden cliënten een regeling in overweging kunnen nemen.
2.Vrijstelling van werk
3.Eindafrekening
5.Arbeidsongeschiktheid bij/na einde dienstverband
10.Slotbepaling
(…)
Bij het aanbod tot uitbetaling van de overeengekomen vergoeding is door Smart(de Stichting, hof)
uitdrukkelijk aan de WNT gerefereerd (…). Beide partijen waren zich dus bewust van de WNT. De WNT en de consequenties daarvan zijn in het overleg met cliënte en met [advocaat 2] aan de orde geweest. Smart heeft het voorstel derhalve uitdrukkelijk gedaan na bestudering van de WNT. Dat partijen van mening waren dat het door Smart aangeboden all-in bedrag van 100.000 euro binnen de WNT-norm zou blijven, had onder andere te maken met de forse loonvordering van cliënte op Smart vanwege het doorwerken gedurende zwangerschapsverlof.
Waar Smart als gevolg van het standpunt van haar accountant terugkomt op een overeenkomst die haar advocaat in het licht van de WNT rechtsgeldig achtte, is het aan Smart om met een voor haar accountant aanvaardbare oplossing te komen waarmee zij alsnog tot betaling van de overeengekomen vergoeding kan overgaan. Daarbij merk ik op dat artikel 10.4 van de vaststellingsovereenkomst partijen verplicht tot overleg ingeval van partiele nietigheid.
Ons kantoor is mevrouw [appellante] graag van dienst bij het incasseren van de tussen partijen overeengekomen vergoeding, De daaraan verbonden kosten voor rechtsbijstand zullen wij bij haar in rekening brengen; kosteloze dienstverlening is niet aan de orde omdat, zoals de inhoud van punt 1 hierboven reeds impliceert, de ontstane situatie niet aan [advocaat 1] te verwijten is.
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
Heeft [advocaat 1] beroepsfouten gemaakt?
“hoge eindvergoeding”, want dan zou hem zijn gebleken dat het aanbod van € 100.000,-, niet één cent beëindigingsvergoeding bevatte. Als [advocaat 1] [appellante] hierover goed had geïnformeerd, dan zou zij de voorgestelde regeling nooit hebben geaccepteerd. Mede als gevolg van het feit dat [appellante] overduidelijk als gevolg van overbelasting door de werkgever is uitgevallen, is het immers alleszins aannemelijk dat zij een hoge ontslagvergoeding had kunnen krijgen.
“hoge eindvergoeding”van de Stichting te accepteren. In ieder geval staat vast dat [advocaat 1] zijn overwegingen bij dit advies niet schriftelijk aan [appellante] heeft medegedeeld, hoewel artikel 16 lid 1 van Pro de Gedragsregels advocatuur van de Nederlandse Orde van Advocaten (de Gedragsregels) voorschrijft dat een advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil zijn cliënt schriftelijk belangrijke informatie bevestigt. Dat [appellante] [advocaat 1] niet op eigen initiatief een overzicht heeft verstrekt van de looncomponenten waarop zij meende nog aanspraak te kunnen maken, doet daaraan niet af. Een advocaat heeft hier – zoals ook blijkt uit artikel 14 lid 1 Gedragsregels Pro – een eigen verantwoordelijkheid. [advocaat 1] had [appellante] dus om de bedragen van de diverse looncomponenten waarop zij nog aanspraak meende te kunnen maken moeten vragen en desnoods zelf een grove berekening kunnen maken. Hij wist immers dat het volgens [appellante] ging om substantiële bedragen (twee maal zwangerschaps- en bevallingsverlof, alsmede een stuwmeer aan niet opgenomen vakantiedagen). De door [geïntimeerden] genoemde tijdsdruk is naar het oordeel van het hof geen valide reden om van een dergelijke inventarisatie af te zien. Het is immers niet ongebruikelijk dat een partij druk op de andere partij probeert te zetten. Een advocaat dient daarmee om te kunnen gaan. Drie werkdagen is daarbij niet zodanig kort dat op voorhand moet worden vastgesteld dat een inventarisatie niet tot de mogelijkheden behoort.
7.Beslissing
- verwijst de zaak naar de rol van vier weken na de dag van deze uitspaak voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellante] met het doel dat staat vermeld in rechtsoverweging 6.26 van dit arrest;
- houdt iedere verdere beslissing aan.