ECLI:NL:GHDHA:2025:680
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na bezwaar en beroep tegen te hoge waardebepaling
Belanghebbende, eigenaar van een parterre-portiekwoning uit 1936, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van €506.000 die de Heffingsambtenaar voor het kalenderjaar 2022 had vastgesteld. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de Heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld op basis van een waardematrix met vergelijkingsobjecten uit dezelfde buurt en bouwperiode.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de waarde te hoog was vastgesteld, dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken waren overgelegd en dat het motiveringsbeginsel was geschonden. Het Hof oordeelde dat de Rechtbank terecht had geoordeeld dat de Heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan en dat de gebruikte vergelijkingsmethode en de onderliggende gegevens betrouwbaar waren.
Het Hof nam daarbij mee dat het verschil in tuingrootte en woonoppervlakte tussen de woning en het belangrijkste vergelijkingsobject [adres 4] een hogere waarde rechtvaardigde. Ook werd vastgesteld dat de gebruikte meetnorm NEN-2580 consequent was toegepast. Het Hof bevestigde dat de waardering geen exacte wetenschap is en dat de Heffingsambtenaar vrij is in de keuze van de methode.
Omdat belanghebbende geen nieuwe feiten of omstandigheden aanvoerde die tot een ander oordeel konden leiden, werd het hoger beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €506.000 wordt bevestigd.