Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende ontving van [A] voor deze werkzaamheden per factuur een vergoeding.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of belanghebbende terecht was aangemerkt als belastingplichtige wegens betrokkenheid bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen (minerale oliën) waarop geen accijns was voldaan. De fraude bestond uit het verhandelen van accijnsvrije minerale oliën met gebruikmaking van valse facturen.
Belanghebbende stelde ondernemingen ter beschikking, stelde facturen op en incasseerde gelden die vervolgens contant aan de fraudeplegers werden overgedragen. Het hof oordeelde dat deze handelingen onder het begrip 'betrokken zijn bij het voorhanden hebben' vielen, ook al betrof het geen logistieke handelingen zoals opslag of vervoer.
Het middel in cassatie betoogde dat deze uitleg te ruim was, omdat de handelingen te ver afstonden van het feitelijke voorhanden hebben. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat ook het faciliteren van de handel en het financieel afhandelen daarvan als betrokkenheid telt.
De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het hof dat belanghebbende betrokken is bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen wordt bevestigd.