ECLI:NL:GHDHA:2025:2655

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
BK-25/130
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag parkeerbelasting en dwangbevelkosten

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam inzake een naheffingsaanslag parkeerbelasting en de daaropvolgende dwangbevelkosten. De belanghebbende, aangeduid als [X] te [Z], heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag van € 69,10, die op 3 december 2022 was opgelegd. De Invorderingsambtenaar van de gemeente Rotterdam heeft de dwangbevelkosten in rekening gebracht, maar heeft deze later uit coulance laten vervallen. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarbij werd geoordeeld dat de dwangbevelkosten terecht waren opgelegd. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld, waarbij hij stelt dat de Invorderingsambtenaar ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in de bezwaarfase. Het Hof heeft geoordeeld dat de dwangbevelkosten terecht zijn opgelegd en dat er geen sprake is van een aan de Invorderingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en oordeelt dat het beroep ongegrond is. De proceskosten worden niet vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/130

Uitspraak van 11 december 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: L. Berkes)
en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Invorderingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 28 januari 2025, nummer ROT 23/7294.

Procesverloop

1.1.
Tegen belanghebbende is een dwangbevel uitgevaardigd, waarbij dwangbevelkosten in rekening zijn gebracht.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Invorderingsambtenaar de dwangbevelkosten laten vervallen en het verzoek om een vergoeding van de proceskosten afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 147. De Invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 november 2025. De Invorderingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden aan de gemachtigde van belanghebbende op 11 september 2025 naar het adres [postadres] , onder vermelding van datum, tijdstip en plaats uitgenodigd de mondelinge behandeling bij te wonen. Zoals blijkt uit door de griffier bij PostNL ingewonnen informatie, welke aan het dossier is toegevoegd, is de brief op 12 september 2025 op het voormelde adres uitgereikt. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Aan belanghebbende is op 3 december 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd ten bedrage van € 69,10, bestaande uit € 2,60 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag.
2.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Invorderingsambtenaar heeft op 27 januari 2023 een brief aan belanghebbende toegezonden, waarin aan belanghebbende een termijn van 14 dagen is toegekend om de gronden van het bezwaar nader aan te voeren. Bij brief van 13 februari 2023 is aan belanghebbende een nadere termijn van vijf dagen toegekend om de gronden van het bezwaar nader aan te vullen. Bij uitspraak op bezwaar van 21 maart 2023 heeft de Invorderingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het bezwaar.
2.3.
Tegen voornoemde uitspraak op bezwaar van 21 maart 2023 heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. In die procedure heeft de Rechtbank op 23 augustus 2024 uitspraak gedaan (ECLI:NL:RBROT:2024:732) en op het hoger beroep tegen voormelde uitspraak heeft het Hof op 9 september 2025 uitspraak gedaan (ECLI:NL:GHDHA:2025:1771). Uit voornoemde uitspraken blijkt dat niet langer in geschil is dat het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat belanghebbende de gronden van zijn bezwaar wel tijdig heeft ingediend. Voor wat betreft de naheffingsaanslag hebben zowel de Rechtbank als het Hof geoordeeld dat deze terecht is opgelegd.
2.4.
Op 25 april 2023 heeft de Invorderingsambtenaar een betalingsherinnering naar belanghebbende gezonden voor betaling van de naheffingsaanslag en op 16 mei 2023 een aanmaning, waarbij aanmaningskosten van € 8 in rekening zijn gebracht. Op 8 juni 2023 heeft de Invorderingsambtenaar een dwangbevel tot betaling van de naheffingsaanslag en de aanmaningskosten uitgevaardigd, waarbij € 46 aan dwangbevelkosten in rekening is gebracht. Belanghebbende heeft vervolgens bezwaar gemaakt, welk bezwaar enkel was gericht tegen de dwangbevelkosten en niet tegen de aanmaningskosten.
2.5.
Naar aanleiding van het op 27 juni 2023 ingekomen bezwaar tegen de dwangbevelkosten, heeft de Invorderingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar van 22 september 2023 zowel de aanmaningskosten als de dwangbevelkosten laten vervallen. De uitspraak op bezwaar vermeldt dat dit uit coulance is geschied. Het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase is door de Invorderingsambtenaar afgewezen.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Invorderingsambtenaar als verweerder:
“9. De rechtbank stelt voorop dat zij het met eiser eens is dat het label dat een bestuursorgaan aan zijn beslissing geeft, bijvoorbeeld ‘coulance’, geen doorslaggevende betekenis heeft voor de vraag of het bestuursorgaan de proceskosten die door belanghebbende in bezwaar zijn gemaakt moet vergoeden. Het gaat erom of het bestreden besluit wordt herroepen vanwege een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Alleen dan is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding in bezwaar. Dit is bepaald in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).[1] Vertaald naar deze
zaak en gelet op eisers stelling betekent dat, dat de rechtbank moet beoordelen of de aanmanings- en dwangbevelkosten terecht zijn opgelegd. Daarover overweegt zij als volgt.
10. Eiser stelt alleen dat verweerder de aanmanings- en dwangbevelkosten heeft laten vervallen vanwege een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Deze stelling slaagt niet. Door de uitspraak op bezwaar van 21 maart 2023 is het uitstel van betaling vervallen en de betalingsverplichting van eiser herleefd. Dat eisers beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar nog voorlag bij de rechter doet daar niet aan af. Verweerder mocht daarom invorderingshandelingen verrichten en - omdat eiser de naheffingsaanslag niet tijdig heeft betaald - zijn de invorderingskosten terecht door verweerder opgelegd. Dat brengt met zich dat verweerder in de uitspraak op bezwaar van 22 september 2023 de aanmaningskosten en de dwangbevelkosten (de invorderingskosten) niet heeft laten vervallen vanwege een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft terecht gesteld dat hij de invorderingskosten uit coulance heeft laten vervallen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom terecht de proceskosten in bezwaar niet vergoed.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
(…)
[1] Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: De kosten, die de
belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken,
worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover
het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de Invorderingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar een proceskostenvergoeding aan belanghebbende had moeten toekennen, en of het weigeren daarvan leidt tot strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod op détournement de pouvoir, dan wel een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 1 bij het Eerste Protocol van het EVRM (EP EVRM) en artikel 13 EVRM. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Invorderingsambtenaar beantwoordt deze vragen ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert – naar het Hof begrijpt – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op het niet toekennen van een proceskostenvergoeding in bezwaar en tot veroordeling van de Invorderingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep.
4.3.
De Invorderingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskostenvergoeding
5.1.
Belanghebbende stelt dat de Invorderingsambtenaar ten onrechte geen proceskostenvergoeding in de bezwaarfase heeft toegekend. De dwangbevelkosten zijn niet uit coulance komen te vervallen, maar wegens een aan de Invorderingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. Daarbij is tevens relevant dat de dwangbevelkosten in de bezwaarprocedure zijn komen te vervallen naar aanleiding van het door belanghebbende ingediende bezwaar, waardoor ingevolge artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) recht bestaat op een proceskostenvergoeding, aldus belanghebbende.
5.2.
Op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb dienen kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend te worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Niet in geschil is dat sprake is van een herroeping van het bestreden besluit, namelijk van het door de Invorderingsambtenaar op 8 juni 2023 uitgevaardigde dwangbevel. Derhalve dient door het Hof te worden beoordeeld of die heeft plaatsgevonden wegens een aan de Invorderingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid.
5.3.1.
Ter zitting heeft de Invorderingsambtenaar bevestigd dat indien gemotiveerd bezwaar wordt gemaakt tegen een naheffingsaanslag, op grond van artikel 3 van de Beleidsregels invordering gemeentelijke belastingen Rotterdam (Beleidsregels Rotterdam) in samenhang met artikel 25.2.2 van de Leidraad invordering 2008 (automatisch) uitstel van betaling wordt verleend. Op grond van artikel 3 Beleidsregels Rotterdam in samenhang met artikel 25.2.1 van de Leidraad invordering 2008 eindigt het uitstel van betaling op het moment waarop uitspraak op bezwaar wordt gedaan. In de onderhavige zaak is op 21 maart 2023 uitspraak op bezwaar gedaan, waarmee het uitstel van betaling op dat moment is geëindigd en de betalingsverplichting van de naheffingsaanslag herleeft. Voorts geldt dat de werking van een uitspraak op bezwaar op grond van artikel 6:16 Awb niet wordt geschorst door een daartegen gericht beroep. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende een afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling heeft ingediend voor de beroeps- dan wel hogerberoepsfase (zie artikel 25.2.2 van de Leidraad Invordering 2008).
5.3.2.
Daarnaast is van belang dat zowel de Rechtbank als het Hof hebben geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd (zie 2.3). Het feit dat in (hoger) beroep niet langer in geschil was dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, doet aan al het voorgaande niet af.
5.3.3.
Gelet op het hiervoor overwogene, is het uitstel van betaling met het doen van de uitspraak op bezwaar geëindigd en bestond vanaf dat moment voor de Invorderingsambtenaar ingevolge artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet in samenhang met artikel 12, lid 1, van de Invorderingswet 1990 een wettelijke grondslag het dwangbevel uit te vaardigen. Voorts bestond ingevolge artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet in samenhang met artikel 3, lid 1, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) een wettelijke grondslag om de dwangbevelkosten in rekening te brengen. Daarmee is het dwangbevel in zoverre terecht uitgevaardigd en vindt het vervallen van de dwangbevelkosten niet zijn oorzaak in een aan de Invorderingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid.
5.3.4.
Belanghebbende heeft kennelijk zijn betoog dat de dwangbevelkosten zijn vervallen wegens een aan de Invorderingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid nader willen onderbouwen met een beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur en eenieder verbindende verdragsbepalingen, in die zin dat de schending daarvan door de Invorderingsambtenaar in de procedure tegen de naheffingsaanslag, bij het uitvaardigen van het dwangbevel en bij het in rekening brengen van de dwangbevelkosten grond vormde voor vernietiging van de dwangbevelkosten. In het navolgende zal het Hof die klachten beoordelen.
Vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel
5.4.
Belanghebbende stelt dat het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden doordat een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar niet kan worden gelijkgesteld met een inhoudelijke afwijzing en verwijst daarbij naar informatie die op de website van de gemeente Rotterdam staat:
“Als u bezwaar maakt, hoeft u de parkeerbon nog niet te betalen. U betaalt pas als de gemeente uw bezwaar afwijst.”
Volgens belanghebbende schept voormelde informatie het gerechtvaardigd vertrouwen dat betaling van een naheffingsaanslag pas hoeft plaats te vinden nadat een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag heeft plaatsgevonden. Doordat de Invorderingsambtenaar desondanks, dus zonder inhoudelijke beoordeling, tot invorderingsmaatregelen is overgegaan, is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, aldus belanghebbende.
5.5.1.
Zoals in 5.3.1 is overwogen, wordt een gemotiveerd bezwaarschrift tegen een naheffingsaanslag aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling van de naheffingsaanslag, waarbij het uitstel van betaling eindigt op het moment waarop uitspraak op bezwaar wordt gedaan (zie artikel 3 Beleidsregels Rotterdam in samenhang met artikelen 25.2.1 en 25.2.2 van de Leidraad invordering 2008). Doordat op 21 maart 2023 uitspraak op bezwaar is gedaan, is het uitstel van betaling op dat moment geëindigd. Dat het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard (zie 2.3), doet er niet aan af dat de bezwaarprocedure tegen de naheffingsaanslag met het doen van uitspraak op bezwaar, alsmede het uitstel van betaling, op 21 maart 2023 is geëindigd.
5.5.2.
Voorts geldt dat informatie op de website van een bestuursorgaan tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan leiden indien sprake was van een onjuiste inlichting op de website, waardoor belanghebbende een handeling heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan een hoger bedrag van belanghebbende is geheven dan hij op basis van die informatie meende te moeten betalen (HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654, r.o. 4.2.3). In dit geval is dat niet aan de orde. Uit de in 5.4 vermelde informatie op de website kan redelijkerwijs niet worden opgemaakt dat een in verband met een bezwaar verleend uitstel van betaling voortduurt na afdoening van dat bezwaar met een niet-ontvankelijkverklaring. Zo dat al anders zou zijn, had belanghebbende redelijkerwijs kunnen en moeten beseffen (vgl. HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654, r.o. 4.2.1) dat een niet-ontvankelijkverklaring niet ertoe leidt dat met betaling van de naheffingsaanslag kan worden gewacht tot, zoals belanghebbende lijkt te suggereren, het moment waarop de Invorderingsambtenaar bij de Rechtbank inhoudelijk op de bezwaargronden heeft gereageerd dan wel het moment waarop de rechter een (inhoudelijk) oordeel heeft gegeven over de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.
5.6.
Voor zover belanghebbende stelt dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in de zin van artikel 3:2 Awb, kan dit beroep op grond van het in 5.5.1 overwogene eveneens niet slagen.
Détournement de pouvoir
5.7.
Belanghebbendes stelling dat het verbod op détournement de pouvoir is geschonden doordat de Invorderingsambtenaar een dwangbevel heeft uitgevaardigd zonder dat – naar het Hof begrijpt – het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag inhoudelijk was beoordeeld, wordt verworpen. Zoals hiervoor in 5.3.1 is overwogen, is het dwangbevel terecht uitgevaardigd. Uit de wet kan niet worden afgeleid dat de Invorderingsambtenaar zich moet onthouden van het uitvaardigen van een dwangbevel totdat onherroepelijk is komen vast te staan dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Derhalve is niet gebleken dat de Invorderingsambtenaar zijn bevoegdheid heeft aangewend voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.
Artikel 6 EVRM en artikel 1 EP EVRM
5.8.1.
Dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag niet-ontvankelijk heeft verklaard terwijl de gronden van het bezwaar tijdig waren ingediend en de Invorderingsambtenaar desondanks invorderingsmaatregelen heeft getroffen, acht belanghebbende in strijd met artikel 6 EVRM.
5.8.2.
De klacht faalt. Geschillen over belastingaanslagen (zoals de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting) vallen buiten de reikwijdte van artikel 6 EVRM (vgl. EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998, par. 29). Uit het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0896, r.o. 3.4.2, maakt het Hof op dat een procedure betreffende in rekening gebrachte invorderingskosten evenmin onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM valt.
5.9.1.
Belanghebbende voert ook aan dat sprake is van schending van artikel 1 EP EVRM. Deze bepaling luidt als volgt:
“Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft het recht op het ongestoord genot van zijn eigendom en dat aan niemand zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”
Belanghebbende stelt dat onder meer het in rekening brengen van dwangbevelkosten als een ongeoorloofde inmenging van zijn eigendomsrecht in de zin van artikel 1 EP EVRM moet worden aangemerkt. Doordat geen inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes bezwaar heeft plaatsgevonden, ontbreekt volgens hem een evenredige belangenafweging die in acht moet worden genomen wanneer een inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht.
5.9.2.
Zoals in 5.3.1 is overwogen, volgt uit de daarin opgenomen wet- en regelgeving dat het uitstel van betaling van de naheffingsaanslag eindigt op het moment dat de bezwaarfase eindigt. Op grond daarvan, alsmede op grond van de Kostenwet, bestond voor de Invorderingsambtenaar een wettelijke grondslag om de dwangbevelkosten op te leggen (zie 5.3.3). Deze wettelijke grondslag dient wel “lawful” te zijn, dat wil zeggen dat het toegankelijk, voldoende precies en voorzienbaar in de uitoefening moet zijn (vgl. EHRM 22 september 1994, ECLI:CE:ECHR:1994:0922JUD001361688, r.o. 42, en EHRM 5 januari 2000, ECLI:CE:ECHR:2000:0105JUD003320296, r.o. 107 tot en met 109). Nu de dwangbevelkosten in rekening zijn gebracht in overeenstemming met de Beleidsregels Rotterdam, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet, terwijl bovendien in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat genoemde wetgeving onvoldoende precies en voorzienbaar in de uitoefening is, is aan het vereiste van “lawfulness” voldaan.
5.9.3.
Het enkele feit dat belanghebbendes bezwaar tegen de naheffingsaanslag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard (hetgeen nadien in beroep is hersteld) rechtvaardigt evenmin het oordeel dat het in rekening brengen van de onderhavige dwangbevelkosten in strijd kwam met het vereiste van “lawfulness”. Artikel 1 EP EVRM brengt weliswaar mee dat elke maatregel die het ongestoorde genot van eigendom aantast (zoals de naheffingsaanslag in kwestie) vergezeld moet gaan van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van die maatregel (zie HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1943, r.o. 3.4.2), maar dat betekent niet dat iedere procedurefout een inbreuk op die bepaling inhoudt.
5.9.4.
In artikel 1 EP EVRM ligt eveneens besloten dat de inbreuk een legitiem doel in het algemeen belang dient na te streven. Bij de beoordeling van wat in het algemeen belang is en bij de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. Die marge heeft de Nederlandse wetgever naar het oordeel van het Hof niet overschreden, aangezien van de bepalingen op grond waarvan het dwangbevel is uitgevaardigd en de kosten in rekening zijn gebracht, niet kan worden gezegd dat zij elke redelijke grond ontberen. Die bepalingen dienen immers de tijdige betaling en doelmatige invordering van belastingaanslagen (vgl. HR 5 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6443, r.o. 3.3.2).
5.9.5.
Ten slotte eist artikel 1 EP EVRM dat een redelijke verhouding (“fair balance”) moet bestaan tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken belastingplichtige wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Feiten of omstandigheden die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat belanghebbende door het in rekening brengen van de dwangbevelkosten is getroffen door een dergelijke last zijn gesteld noch gebleken.
5.9.6.
Belanghebbendes stelling dat sprake is van schending van artikel 1 EP EVRM, faalt op grond van het hiervoor overwogene.
Artikel 13 EVRM
5.10.1.
Tot slot stelt belanghebbende dat artikel 13 EVRM is geschonden, doordat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ertoe heeft geleid dat belanghebbende geen toegang heeft gekregen tot een effectief rechtsmiddel met betrekking tot de aan hem opgelegde lasten.
5.10.2.
Belanghebbendes klacht niet kan slagen. Hij heeft immers bezwaar kunnen maken tegen zowel de naheffingsaanslag als de dwangbevelkosten, alsmede beroep en hoger beroep kunnen instellen tegen de uitspraken op bezwaar respectievelijk de uitspraken van de Rechtbank. Van een schending van artikel 13 EVRM is derhalve geen sprake.
Slotsom
5.11.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, H.A.J. Kroon en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier X. Evers.
De griffier, de voorzitter,
X. Evers R.A. Bosman
De beslissing is op 11 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.