ECLI:NL:GHDHA:2025:2384

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
200.352.996
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ontslag op staande voet en ontvankelijkheid verzoek werkneemster

In deze zaak verzoekt de werkneemster, die in dienst was bij Jumbo Supermarkten B.V., vernietiging van het aan haar gegeven ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft de werkneemster echter niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken wegens overschrijding van de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder a, BW. Deze beslissing is in hoger beroep door het Gerechtshof Den Haag bevestigd. De werkneemster heeft in hoger beroep twee grieven ingediend, maar het hof oordeelt dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat het verzoek tot vernietiging van het ontslag niet tijdig was ingediend. De werkneemster betwist dat zij op 24 april 2024 het ontslag heeft ontvangen, maar het hof concludeert dat de mededeling van het ontslag op staande voet haar op die datum heeft bereikt. Het hof bekrachtigt de beslissing van de kantonrechter en veroordeelt de werkneemster in de kosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
zaaknummer: 200.352.996/01
zaaknummer rechtbank Den Haag: 11178551 \ RP VERZ 24-50384
beschikking van 18 november 2025
in de zaak van
[werkneemster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. D. Pieterse, kantoorhoudend te Den Haag,
tegen
JUMBO SUPERMARKTEN B.V.,
gevestigd te Veghel,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. M.J.E. Stuurop, kantoorhoudend te Den Bosch.
Partijen worden hierna [werkneemster] en Jumbo genoemd.

1.De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt de werkneemster (onder meer) vernietiging van het aan haar gegeven ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft de werkneemster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken wegens overschrijding van de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder a, BW. Deze beslissing blijft in hoger beroep in stand.

2.Procesverloop in hoger beroep

[werkneemster] is bij beroepschrift (met productie), ontvangen ter griffie van het hof op 24 maart 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 24 december 2024 onder bovenvermeld zaaknummer. [werkneemster] heeft de processtukken in eerste aanleg overgelegd.
Vervolgens is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van Jumbo ingekomen.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025 ten overstaan van de raadsheer-commissaris. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Feitelijke achtergrond

Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1.
[werkneemster] is op 1 mei 2017 in dienst getreden bij Jumbo als medewerker service.
3.2.
In april 2024 heeft Jumbo [werkneemster] op staande voet ontslagen. Tussen partijen is in geschil op welke datum (24, 25 of 26 april 2024) het door Jumbo per e-mail verstuurde bericht van ontslag op staande voet haar werking heeft gekregen.
3.3.
Het inleidende verzoekschrift van [werkneemster] in deze zaak is op 26 juni 2024 ingediend bij de kantonrechter.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
In eerste aanleg heeft [werkneemster] de kantonrechter verzocht – samengevat – het door Jumbo gegeven ontslag op staande voet te vernietigen (met daaruit voortvloeiende veroordelingen tot onder meer doorbetaling van loon en wedertewerkstelling). Daarnaast heeft zij provisionele voorzieningen verzocht en ook een beslissing over de proceskosten.
4.2.
Jumbo heeft primair aangevoerd dat [werkneemster] niet-ontvankelijk is in haar verzoeken. Subsidiair heeft Jumbo geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [werkneemster]. Bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek (in geval van vernietiging van het ontslag op staande voet) heeft Jumbo onder meer ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen verzocht. Jumbo heeft ten slotte een beslissing over de proceskosten verzocht.
4.3.
De kantonrechter heeft [werkneemster] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken, met veroordeling van [werkneemster] in de proceskosten.

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1.
Tegen de beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen komt [werkneemster] op met twee grieven. Zij strekken ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en de verzoeken van [werkneemster] alsnog zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.
5.2.
Het verweerschrift van Jumbo in hoger beroep strekt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten.
5.3.
Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt.
5.4.
Zoals hiervóór vermeld, is het verzoek van [werkneemster] tot vernietiging van het ontslag ingediend op 26 juni 2024. Op grond van artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder a, BW is het verzoek alleen dan tijdig ingediend, als de laatste dag van het dienstverband niet vóór 26 april 2024 is geweest. [1] Partijen zijn het hierover eens.
5.5.
Volgens [werkneemster] is dat het geval. Zij markeert 26 april 2024 als de dag waarop het dienstverband is geëindigd. Zij verwijst daarvoor naar een e-mail van Jumbo, die zij – zo voert zij aan – niet eerder dan op 26 april 2024 heeft ontvangen. Volgens Jumbo is de laatste dag van het dienstverband eerder geweest, te weten op 24 of in ieder geval 25 april 2024. Zij verwijst daarvoor naar haar e-mails van die data, die [werkneemster] volgens Jumbo ook op die data heeft ontvangen.
5.6.
Het hof zal de stellingen van partijen met betrekking tot de e-mails van 24 en 25 april 2024 bespreken. Het hof zal dat doen met inachtneming van de overwegingen in het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104. Ook partijen verwijzen naar dit arrest. Zoals hierna zal blijken, acht het hof net als de kantonrechter het beroep van Jumbo op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder a, BW gegrond.
De e-mail van 24 april 2024
5.7.
Jumbo heeft een print overgelegd van een e-mail van haar van 24 april 2024 (18.52 uur) met bijlage aan de advocaat van [werkneemster] met kopie aan (onder anderen) [werkneemster]. In de tekst van zowel deze e-mail als de bijlage wordt melding gemaakt van het ontslag op staande voet per 24 april 2024. Het is niet in geschil dat de e-mailadressen van de advocaat van [werkneemster] en van [werkneemster] zelf correct zijn. Evenmin is in geschil dat tussen partijen (aan de zijde van [werkneemster]: zowel [werkneemster] zelf als haar advocaat) nog zeer kort voorafgaand aan de door Jumbo gestelde e-mail van 24 april 2024 18.52 uur diverse e-mails zijn gewisseld (en ontvangen) waarbij gebruik is gemaakt van dezelfde e-mailadressen.
5.8.
[werkneemster] heeft aangevoerd dat Jumbo niet de feiten en omstandigheden heeft gesteld en evenmin bewijs heeft geleverd dat de e-mail van 24 april 2024 door (de advocaat van) [werkneemster] is ontvangen en dat de kantonrechter dat reeds daarom niet heeft kunnen vaststellen. Zij heeft enkele contra-indicaties genoemd dat deze e-mail van 24 april 2024 is ontvangen. [werkneemster] heeft ten slotte naar voren gebracht, zakelijk, dat de kantonrechter Jumbo een bewijsopdracht had moeten geven ten aanzien van de stelling van Jumbo dat de e-mail haar ([werkneemster]) heeft bereikt. Het hof leest in een en ander, ontleend aan de toelichting op grief 1, niet een voldoende stellige ontkenning door [werkneemster] dat de genoemde e-mail van 24 april 2024 door haar is ontvangen. Zij heeft weliswaar ook aangevoerd dat het onmogelijk is dat Jumbo de bijlage bij de e-mail van 24 april 2024 aan (de advocaat van) [werkneemster] heeft toegestuurd, maar deze stellingname berust slechts op één van de door haar genoemde contra-indicaties. Het hof beoordeelt dit niet als een voldoende gemotiveerde betwisting van het verstuurd zijn door Jumbo van de e-mail. Ook het hof acht de mededeling van de zijde van [werkneemster] in eerste aanleg dat [werkneemster] en haar gemachtigde betwisten dat zij deze e-mail hebben ontvangen onvoldoende.
5.9.
Het hof acht de door [werkneemster] genoemde contra-indicaties overigens weinig overtuigend. Dat op de brief van 24 april 2024 (bijlage bij de e-mail van 24 april 2024) is vermeld “
AANGETEKEND PER E-MAIL” en dat Jumbo niet op die datum maar een dag later, dus pas op 25 april 2024, heeft geprobeerd deze brief per aangetekende mail te versturen, legt voor het hof geen gewicht in de schaal, zeker niet gelet op de datering van de bijlage. Hetzelfde geldt voor het argument van [werkneemster] dat zij de aangetekende e-mail op 26 april 2024 heeft doorgestuurd aan haar advocaat en dat daarvoor geen aanleiding zou bestaan als de e-mail van 24 april 2024 door haar zou zijn ontvangen. Het hof acht het niet opmerkelijk dat een partij alle door haar ontvangen berichten doorstuurt aan haar advocaat, ook als er reeds eerdere berichten met dezelfde strekking zijn ontvangen. Ook mist het argument dat noch [werkneemster] noch haar advocaat heeft gereageerd op de e-mail van 24 april 2024 betekenis. Jumbo heeft immers onweersproken gesteld dat op geen enkele e-mail van 24, 25 of 26 april 2024 is gereageerd anders dan door het indienen van het verzoekschrift.
5.10.
Het hof verwerpt het standpunt van [werkneemster] dat de e-mail van 24 april 2024 niet als een tot haar gerichte verklaring kan worden aangemerkt (want gericht aan haar advocaat). [werkneemster] zelf stond immers in de cc. Bovendien had haar advocaat Jumbo gevraagd correspondentie aan hem (in plaats van aan [werkneemster]) te richten.
5.11.
Het hof concludeert dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de mededeling van Jumbo aan [werkneemster] van het ontslag op staande voet haar op 24 april 2024 heeft bereikt als bedoeld in art. 3:37 lid 3, eerste zin, BW.
De aangetekende e-mail van 25 april 2024
5.12.
Het staat vast dat Jumbo op 25 april 2024 (15.30 uur) een aangetekende e-mail heeft verzonden aan [werkneemster] betreffende het ontslag op staande voet (productie 25). Ook staat vast dat [werkneemster] op of omstreeks dat tijdstip in haar mailbox via “Aangetekend Mailen” een aankondiging heeft ontvangen van een aangetekende mail van “[e-mailadres] van Jumbo Supermarkten”. Door middel van deze aankondiging kon [werkneemster] de aangetekende mail opvragen dan wel weigeren. In de onderwerpregel was vermeld “Bevestiging ontslag op staande voet – Aankondiging van Aangetekend Mailen (…)”. Ten slotte staat vast dat [werkneemster] de aankondiging van aangetekend mailen op 25 april 2024 heeft doorgestuurd naar haar advocaat, die deze die dag om 15.54 uur heeft ontvangen in zijn mailbox, met dezelfde vermelding in de onderwerpregel (voorafgegaan door “Fwd:”).
5.13.
Het standpunt van [werkneemster] komt kort gezegd op het volgende neer. De aangetekende e-mail van 25 april 2024 is op 25 april 2024 aan [werkneemster] aangeboden, maar door haar op 26 april 2024 daadwerkelijk ontvangen. Er kan enige tijd verstrijken tussen het ‘opvragen’ van de e-mail en het daadwerkelijk ontvangen ervan. Zelfs als [werkneemster] op 25 april 2024 direct op ‘ophalen’ heeft geklikt, kan het zijn dat zij deze e-mail pas een dag later heeft ontvangen.
5.14.
De stellingname van [werkneemster] dat zij de aangetekende e-mail pas op 26 april 2024 heeft ontvangen, acht het hof ontoereikend ter bestrijding van het standpunt van Jumbo dat de mededeling van het ontslag op staande voet (in elk geval) op 25 april 2024 haar werking heeft gekregen. Dat zou anders zijn als [werkneemster] ook onmiddellijk na ontvangst van de aankondiging van aangetekend mailen op 25 april 2024 de aangetekende mail hééft opgevraagd. Uit de toelichting op grief 1 kan echter niet met voldoende duidelijkheid worden afgeleid dat [werkneemster] niet redelijkerwijs reeds op 25 april 2024 heeft
kunnenkennisnemen van de inhoud van de aangetekende e-mail. Het betoog dat zij de e-mail zeer korte tijd na ontvangst van het afleverbewijs daadwerkelijk heeft opgevraagd en daarmee niet op oneigenlijke gronden de vervaltermijn heeft willen verlengen door de e-mail pas zeer laat of in het geheel niet in ontvangst te nemen, acht het hof te vaag. Ook ter zitting heeft [werkneemster], daarnaar gevraagd, hierover niet meer duidelijkheid kunnen verschaffen. Het komt er dus op neer dat het hof in het verweer van [werkneemster] niet een voldoende gemotiveerde betwisting van de stellingen van Jumbo leest.
5.15.
Zowel de voorgaande overwegingen betreffende de e-mail van 24 april 2024 als die betreffende de aangetekende e-mail van 25 april 2024 voeren het hof tot de conclusie dat [werkneemster] in eerste aanleg terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoeken. Grief 1 faalt. Grief 2 heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van grief 1.
5.16.
Het hof wijst het bewijsaanbod van [werkneemster] als te vaag dan wel niet ter zake dienend van de hand.
5.17.
De bestreden beschikking zal daarom worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst moet [werkneemster] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
5.18.
De proceskosten in hoger beroep worden begroot op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.433,-.
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

6.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [werkneemster] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze aan de zijde van Jumbo op € 3.433,-, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan deze kostenveroordeling is voldaan;
bepaalt dat als [werkneemster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [werkneemster] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.F. Thiessen, J.S. Honée en A.J. Swelheim, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Vergelijk Hoge Raad 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:747.