ECLI:NL:GHDHA:2025:2368

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
BK-24/998
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen met betrekking tot schadevergoeding en proceskosten

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 6 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) die aan belanghebbende was opgelegd. De naheffingsaanslag bedroeg € 2.736, maar belanghebbende heeft bezwaar gemaakt en de Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verlaagd tot € 2.587. Belanghebbende heeft vervolgens hoger beroep ingesteld, waarbij de vraag centraal stond of er rekening gehouden moest worden met een grotere waardevermindering wegens schade aan de auto, en of de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor immateriële schade heeft toegekend. Het Hof heeft vastgesteld dat de bewijslast voor de waardevermindering bij belanghebbende ligt, en dat zij niet voldoende bewijs heeft geleverd voor de gestelde schade. Het Hof heeft echter geoordeeld dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor immateriële schade heeft toegekend, gezien de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de naheffingsaanslag verlaagd, en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/998

Uitspraak van 6 november 2025

in het geding tussen:

[X] B.V. (thans) te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 september 2023, nummer SGR 22/4416.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 2.736 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:
“De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- verlaagt de naheffingsaanslag tot € 2.587;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.266;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 365 aan haar te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 559. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 13 augustus 2020 aangifte bpm gedaan ter zake van een Mercedes-Benz GLC-klasse 220d 4Matic Advantage (de auto). De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 7.143 en is op aangifte voldaan.
2.2.
De auto is op 10 augustus 2020 opgenomen door een taxateur van [naam] (de taxateur). Daarvan is op 11 augustus 2020 een taxatierapport opgesteld. De taxateur gaat uit van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 39.080. Deze waarde is gebaseerd op een aantal referentievoertuigen. Met inachtneming van een waardevermindering wegens schade aan de auto is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat door de taxateur bepaald op € 32.320.
2.3.
Op 17 augustus 2020 heeft een hertaxatie door DRZ plaatsgevonden. Het DRZ-rapport vermeldt een historische nieuwprijs van € 83.362, een netto catalogusprijs van € 56.385 en een handelsinkoopwaarde van € 50.148. Door DRZ is geen schade aan de auto aangetroffen.
2.4.
De naheffingsaanslag bedraagt € 2.736. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag is geen waardevermindering in verband met schade in aanmerking genomen.
2.5.
Bij de bestreden uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

Schade
10. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van een auto, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte, anders dan door DRZ is vastgesteld, schade had. Met het rapport en de daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over aard en omvang van de gestelde schade. Dat, zoals eiseres stelt, binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. Afgezien daarvan heeft eiseres niet dan wel onvoldoende geconcretiseerd welke schade volgens haar dan ten onrechte als normale gebruikssporen is aangemerkt. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat verweerder de handelsinkoopwaarde op een onjuist bedrag heeft vastgesteld.
Historische nieuwprijs
11. Eiseres heeft aangevoerd dat voor het berekenen van de procentuele afschrijving moet worden uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 84.649. Daarbij gaat zij uit van de in het DRZ-rapport vermelde netto catalogusprijs van € 56.385, een bedrag aan omzetbelasting van € 11.840 en een bedrag aan bruto Bpm van € 16.424 op basis van een CO2-uitstoot van 145 gr/km. Volgens verweerder moet worden uitgegaan van de (lagere) CO2-uitstoot van de referentieauto.
12. Anders dan verweerder bepleit, dient bij de berekening van de voor de auto verschuldigde Bpm niet te worden uitgegaan van de CO2-uitstoot (en dus de bruto Bpm) van referentieauto’s, maar van de CO2-uitstoot (en dus de bruto Bpm) van de auto zelf.[2] Dat betekent dat eiseres zich terecht op het standpunt stelt dat de historische nieuwprijs € 84.649 bedraagt.
Conclusie
13. Uitgaande van een historische nieuwprijs van de auto van € 84.649, een handelsinkoopwaarde van € 50.148 en een bruto Bpm van € 16.424, bedraagt de verschuldigde Bpm € 9.730. Gelet op het door eiseres reeds op aangifte voldane bedrag van € 7.143, is eiseres per saldo nog een bedrag van € 2.587 aan Bpm verschuldigd. Nu de naheffingsaanslag is opgelegd naar een bedrag van € 2.736, heeft verweerder € 149 teveel aan Bpm nageheven.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Vergoeding voor immateriële schade
15. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag is op 13 april 2021 door verweerder ontvangen. Daarmee is ten tijde van het doen van deze uitspraak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met 5 maanden en 13 dagen. Eiseres heeft in beginsel recht op een vergoeding ter compensatie voor de spanning en frustratie als gevolg van de lange duur van de procedure. Ter zitting is bevestigd dat op grond van de algemene voorwaarden van de gemachtigde deze vergoeding zal toekomen aan de gemachtigde en niet aan eiseres, zodat het toekennen van de vergoeding voor eiseres geen compensatie vormt. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en niet over te gaan tot het toekennen van enige vergoeding voor immateriële schade.
Proceskosten
16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.266 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 296, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor van 1).
(…)

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of met een groter bedrag aan waardevermindering wegens schade rekening moet worden gehouden, of de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding van immateriële schade heeft toegekend en of de kostenvergoeding in de bezwaarfase tot het juiste bedrag is vastgesteld.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, tot – zo begrijpt het Hof – vermindering van de naheffingsaanslag, tot vergoeding van immateriële schade en tot vergoeding van de (proces)kosten.
4.3.
De Inspecteur concludeert eveneens tot gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot toekenning aan belanghebbende van een vergoeding van immateriële schade en tot toekenning aan belanghebbende van een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Beoordeling van het hoger beroep

Schade
5.1.1.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De beoordelaar van DRZ heeft geen schade in aanmerking genomen. De afwijzing voor de door belanghebbende gestelde schade is in het rapport van DRZ toegelicht. Belanghebbende stelt dat DRZ ten onrechte geen schade in aanmerking heeft genomen en verwijst daarbij naar het taxatierapport.
5.1.2.
De Rechtbank heeft op goede gronden beslist dat geen schade in aanmerking hoeft te worden genomen. Het enkele opsommen van gebreken onder opgave van de daaraan verbonden reparatiekosten in een taxatierapport is, tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, niet voldoende om schade aannemelijk te maken. De foto’s in het rapport van DRZ tonen een auto zonder schade.
Kostenvergoeding bezwaarfase
5.2.
De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep erkend dat de Rechtbank bij de kostenvergoeding voor de bezwaarfase een te lage waarde per punt in aanmerking heeft genomen bij de berekening van de kostenvergoeding.
Vergoeding van immateriële schade
5.3.
Het bezwaarschrift is bij de Inspecteur ingekomen op 13 april 2021. De Inspecteur heeft op 21 juni 2022 uitspraak op bezwaar gedaan. De Rechtbank heeft op 26 september 2023 uitspraak gedaan. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dus minder dan zes maanden en is toe te rekenen aan de bezwaarfase. Belanghebbende heeft derhalve recht op een immateriëleschadevergoeding van € 500 van de Inspecteur.
Slotsom
5.4.
Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
De gemachtigde van belanghebbende stelt dat zijn bedrijfsmodel, beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het hoger beroep is ingesteld, niet het kenmerk van optreden op basis van ‘no cure no pay’ heeft en dat de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (Whpkv) om die reden in het onderhavige geval toepassing mist. Volgens de gemachtigde van belanghebbende kwalificeert hij als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, waarbij hij verwijst naar het arrest HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1382. Mede gelet op het voornoemde arrest van 26 september 2025 en de verklaringen van de gemachtigde ter zitting dat hij een vast tarief van € 750 in rekening brengt en dat zijn bedrijfsmodel in 2025 gelijk aan 2024 is gebleven, merkt het Hof de gemachtigde van belanghebbende aan als een bijzonder geval als in het arrest HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Anders dan de Inspecteur, ziet het Hof geen aanleiding om aan de verklaringen van de gemachtigde van belanghebbende te twijfelen. Het Hof berekent de vergoeding van de proceskosten van deze procedure daarom zonder inachtneming van de Whpkv.
6.2.
Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op in totaal € 3.421,50, berekend als volgt: € 1.294 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar ((1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het horen) x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.674 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (conform de beslissing van de Rechtbank op dit punt) en € 453,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep (2 punten x € 907 x 0,25).
6.3.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 279 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen over de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag en het griffierecht,
- veroordeelt de Inspecteur in de (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.421,50,
- veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500, en
- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 559 aan griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.D.M.A Reijs en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd A. van Dongen
De beslissing is op 6 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.