Belanghebbende, eigenaar van twaalf woningen, stelde in hoger beroep dat de WOZ-waarden van deze woningen te hoog waren vastgesteld en dat de aanslagen watersysteemheffing onterecht waren opgelegd. Tevens vorderde zij vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Heffingsambtenaar onderbouwde de waardevaststelling met taxatieverslagen en matrices, waarbij verkoopgegevens van vergelijkingsobjecten werden gebruikt. Het Hof oordeelde dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar waren en dat de waarden niet te hoog waren vastgesteld. De stellingen van belanghebbende over ontbrekende stukken en onvoldoende onderbouwing werden verworpen, hoewel het Hof constateerde dat de Heffingsambtenaar niet aan zijn verplichtingen inzake het overleggen van iWOZ-kaarten had voldaan, wat leidde tot een proceskostenvergoeding.
Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade werd afgewezen omdat het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedroeg en de redelijke termijn niet significant was overschreden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, maar de Heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht in hoger beroep.