Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak en de beschikking in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
(hierna: [minderjarige 1] ), en
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Den Haag
Deze zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag die de teruggeleiding van zijn twee kinderen uit de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) naar Nederland op grond van het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering had afgewezen.
Het hof oordeelt dat de kinderen ten tijde van de overbrenging gezamenlijk onder het gezag van beide ouders vielen en dat de moeder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de kinderen sinds 11 december 2023 blijvend in de VAE verblijven. De gewone verblijfplaats van de kinderen was Nederland, waardoor sprake is van een ongeoorloofde overbrenging in de zin van het Verdrag.
Het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag wordt verworpen omdat niet is gebleken dat terugkeer de kinderen in een ondraaglijke toestand zou brengen. Het hof gelast de onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar Nederland, waarbij de moeder de kinderen uiterlijk 18 augustus 2025 moet terugbrengen. Indien zij dit nalaat, moet zij de kinderen met geldige reisdocumenten aan de vader afgeven.
De moeder wordt niet veroordeeld tot betaling van de kosten van teruggeleiding, maar wel kan zij aansprakelijk worden gesteld voor noodzakelijke kosten in een aparte procedure. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof gelast de onmiddellijke teruggeleiding van de kinderen uit de VAE naar Nederland en vernietigt de weigering van de rechtbank.