ECLI:NL:GHDHA:2025:111
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en afwijzing vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-één-kapwoning en betwistte de door de Heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €351.000 voor het jaar 2022. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de Rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
De Heffingsambtenaar onderbouwde de waardebepaling met een matrix van vergelijkingsobjecten, waarbij drie referentiewoningen met verkoopdata en KOUDV-factoren werden aangevoerd. De Rechtbank oordeelde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en wees het beroep af. Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat de waarde te hoog was en dat hij recht had op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het Hof wees het beroep op betalingsonmacht af wegens gebrek aan onderbouwing en wees stukken die te laat waren ingediend buiten beschouwing. De wijze van procederen van de gemachtigde, die pas ter zitting concrete grieven formuleerde, werd in strijd met de goede procesorde geoordeeld, waardoor bepaalde grieven buiten beschouwing werden gelaten.
Het Hof bevestigde dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar waren en dat de waarde van de woning aannemelijk was gemaakt. De stellingen van belanghebbende over coronacrisis en Derde Wereldoorlog werden niet gevolgd wegens onvoldoende onderbouwing. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade werd afgewezen omdat de overschrijding van de redelijke termijn deels aan de handelwijze van de gemachtigde te wijten was en de overschrijding gering was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt bevestigd en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.