ECLI:NL:GHDHA:2024:402
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over WOZ-waardebepaling woning met onvoldoende onderbouwing door heffingsambtenaar
Belanghebbende, eigenaar van een vrijstaande woonboerderij met bijgebouwen, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van €680.000 die de heffingsambtenaar had vastgesteld. De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht had gegeven in de onderbouwing van de WOZ-waarde, met name door het ontbreken van een duidelijke scheiding tussen de woonruimte en de niet-bewoonbare deel. Ook was onvoldoende toegelicht hoe de lage liggingfactor tot stand was gekomen. Belanghebbende had zijn eigen lagere waarde van €560.000 niet aannemelijk gemaakt.
Daarom stelde het Hof de waarde schattenderwijs vast op €600.000. Tevens veroordeelde het Hof de heffingsambtenaar in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed. De uitspraak bouwt voort op eerdere tussenuitspraak en behandelt ook de rioolheffing en het hoorrecht, waarbij de rechtbank eerder een schending van de hoorplicht constateerde, maar het gebrek werd hersteld.
De uitspraak is op 17 januari 2024 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag. Partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De WOZ-waarde wordt in goede justitie vastgesteld op €600.000 en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld in proceskosten en griffierecht.