Belanghebbende kreeg op 27 oktober 2021 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto zonder betaling geparkeerd stond in een parkeervak in Vlaardingen. De naheffingsaanslag bestond uit parkeerbelasting en kosten voor het opleggen van de aanslag. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij de Rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de uitspraak en de aanslag.
In hoger beroep stond centraal of de kostenraming van €65,30 per naheffingsaanslag te hoog was en of belanghebbende daadwerkelijk op een parkeerplaats stond waar parkeerbelasting verschuldigd was. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de kostenopbouw, waarbij onder meer uren handhaving, personeelskosten en andere reële kosten waren meegenomen. De raming was gebaseerd op een redelijke verwachting van het aantal invorderbare naheffingsaanslagen en niet te hoog vastgesteld.
Daarnaast stelde belanghebbende dat zijn auto niet in een parkeervak stond, maar op het trottoir en binnen vijf meter van een kruising, wat volgens hem niet onder de parkeerbelasting viel. Het hof stelde vast dat de auto wel degelijk in een parkeervak stond dat door het college was aangewezen als betaalde parkeerplaats. De naheffingsaanslag was daarom terecht opgelegd.
Het hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is op 12 december 2024 openbaar uitgesproken.