ECLI:NL:GHDHA:2024:2107
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proceskostenvergoeding in hoger beroep bij WOZ-waarde geschil
Belanghebbende stelde bezwaar tegen de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting voor 2021, waarbij de heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaarde en een kostenvergoeding van €265 toekende, exclusief taxatiekosten. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar voor het kostenvergoedingsdeel, kende een vergoeding van €314,60 toe voor het taxatierapport en veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van proceskosten van €418,50 met een wegingsfactor van 0,25.
Belanghebbende ging in hoger beroep tegen de toegepaste wegingsfactor en stelde dat deze te laag was. Het Hof overwoog dat de wegingsfactor per fase van de procedure moet worden beoordeeld aan de hand van het belang en de complexiteit van de zaak. Gezien het beperkte geschilpunt in hoger beroep achtte het Hof de wegingsfactor van 0,25 passend en niet onredelijk.
Het Hof benadrukte dat de rechtbank niet gebonden is aan het richtsnoer van de gerechtshoven, dat slechts indicatief is. De rechtbank had de proceskostenvergoeding op juiste gronden vastgesteld volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar werd niet in proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak met wegingsfactor 0,25 bevestigd.