Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2024:1883

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
16 oktober 2024
Zaaknummer
200.335.844/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 WgbzArt. 3 lid 5 WgbzArt. 10 lid 1 Wgbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Berekening griffierecht bij vernietiging arbitraal vonnis gebaseerd op waarde vordering arbitrage

In deze civiele procedure is verzet ingesteld door Transport Partners B.V. tegen de beslissing van de griffier tot heffing van een griffierecht van € 2.135 voor een zaak waarin vernietiging van een arbitraal vonnis werd gevorderd.

Opposante stelde dat het griffierecht op het laagste tarief van € 783 moest worden vastgesteld, verwijzend naar een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die stelde dat bij vernietiging van een arbitraal vonnis het griffierecht voor een vordering van onbepaalde waarde geldt.

Het hof overwoog dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de waarde van de vordering waarover de arbiters moesten beslissen. In deze zaak betrof dat een vordering van ruim € 50.000 aan schadevergoeding. Dit betekent dat het griffierecht terecht is vastgesteld volgens het tarief voor vorderingen tussen € 12.500 en € 100.000.

Het hof verwierp het verzet en bevestigde dat de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis niet als een vordering van onbepaalde waarde kan worden aangemerkt. De beslissing van de griffier tot heffing van het hogere griffierecht blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de heffing van het griffierecht van € 2.135 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer: 200.335.844/01

Beschikking van 22 oktober 2024

op het verzet op grond van artikel 29 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) van

Transport Partners B.V.,

gevestigd te Steenbergen,
opposante,
advocaat mr. M. Watttel te Rotterdam,
tegen

de griffier van het Gerechtshof Den Haag,

geopposeerde,
hierna te noemen: de griffier.

De procedure

Bij e-mail met bijlagen van 14 december 2023 is opposante in verzet gekomen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van een griffierecht van € 2.135. Het hof heeft verder kennisgenomen van het verweerschrift van de griffier van 6 februari 2024.
Opposante heeft het hof laten weten af te zien van een mondelinge behandeling. Het hof gaat ervan uit dat opposante aldus de voorkeur geeft aan een beslissing van de zaak op de schriftelijke stukken. De mondelinge behandeling heeft daarom niet plaatsgevonden.

Beoordeling van het verzet

1. Bij de beoordeling van het verzet kan van het volgende worden uitgegaan.
1.1
Bij exploot van 24 juli 2023 heeft [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) vernietiging gevorderd van het tussen hem en opposante in UNUM Arbitration case number 22.004 gewezen arbitraal vonnis van 24 april 2023 en verzocht de tenuitvoerlegging te schorsen. De zaak is aangebracht op 8 augustus 2023 en geregistreerd onder zaaknummer 200.330.526/01. In het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging, geregistreerd onder zaaknummer 200.330.573/01, is arrest gewezen op 15 maart 2024.
1.2
Voor de hoofdzaak (200.330.526/01) is een griffierecht van € 2.135 in rekening gebracht, zijnde het bedrag behorend bij een vordering met een beloop van meer dan € 12.500 en niet meer dan € 100.000.
2. Opposante maakt bezwaar tegen de hoogte van het griffierecht. Zij beroept zich daartoe op een beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 mei 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:3868). Daarin is beslist dat in zaken waarin uitsluitend vernietiging van een arbitraal vonnis wordt gevorderd, het griffierecht behorende bij een vordering van onbepaalde waarde van toepassing is, ongeacht het belang van de vordering die inzet was van de arbitrage.
Opposante verzoekt het hof daarom het griffierecht te bepalen op € 783.
3. De griffier voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat in deze zaak sprake is van een financieel belang van ruim € 50.000. De vordering valt dan volgens artikel 3 lid 5 Wgbz Pro en de bijbehorende tabel in de categorie zaken met betrekking tot een vordering met een beloop van meer dan € 12.500 en niet meer dan € 100.000.
4. Het hof overweegt als volgt.
4.1
Op grond van art. 3 lid 1 Wgbz Pro wordt in dagvaardingszaken van elke eiser en elke verschenen gedaagde een griffierecht geheven. Op grond van art. 10 lid 1 Wgbz Pro wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding. De hoogte van het griffierecht wordt volgens art. 3 lid 5 Wgbz Pro bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij die wet is gevoegd. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen van onbepaalde waarde en vorderingen met een beloop van een bepaald bedrag. Deze regeling is erop gericht het griffierecht, wat de hoogte betreft, te relateren aan de waarde van de vordering en daarmee aan het financiële belang van de zaak. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit voor cassatie meebrengt dat voor de berekening van het griffierecht moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering waarover de rechter tegen wiens uitspraak het beroep is gericht, had te beslissen, ook indien niet de betaling van een geldsom is gevorderd (HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1912 en HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1014).
4.2
In dit geval wordt vernietiging gevorderd van een arbitraal vonnis waarbij een bedrag van € 50.518,56 (totaal in hoofdsom) aan schadevergoeding is toegewezen. Uit het arbitraal vonnis blijkt dat in de arbitrageprocedure door opposante schadevergoeding is gevorderd bij Statement of claim van 28 september 2022, maar dat niet alle ‘items’ waren gespecificeerd en de vordering op onderdelen ‘pm’ dan wel ‘not yet invoiced’ vermeldde. Het hof gaat ervan uit dat het daarbij gaat om het overzicht van de kosten dat is overgelegd als productie 7 bij de dagvaarding in kort geding van 14 september 2022 (productie 4C1 bij dagvaarding in de hoofdzaak), waarin een (voorlopig) totaalbedrag van € 53.325,38 is vermeld.
4.3
Naar het oordeel van het hof moet in een procedure waarin de vernietiging van een arbitraal vonnis wordt gevorderd, voor de berekening van het griffierecht worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering waarover arbiters hadden te beslissen, in dit geval dus over een vordering met een waarde van € 53.325,38. Daarbij is blijkens het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad uit 2017 niet van betekenis of (de hoogte van) die vordering ook daadwerkelijk komt vast te staan. Hieruit volgt ook dat, naar het oordeel van het hof, de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis in dit geval niet kan worden aangemerkt als een vordering van onbepaalde waarde in de zin van de Wgbz. Dit brengt mee dat de hoogte van het griffierecht terecht is bepaald naar het tarief dat geldt voor zaken met betrekking tot een vordering met een beloop van meer dan € 12.500 en niet meer dan € 100.000.
4.3
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzet van opposante ongegrond is.

Beslissing

Het hof verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Verduyn, C.A. Joustra en A.E.A.M. van Waesberghe, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024 in aanwezigheid van de griffier.