Appellant was werknemer bij een transport- en verpakkingsbedrijf en werd verdacht van betrokkenheid bij drugshandel en witwassen. De Staat informeerde op verzoek van de werkgever schriftelijk over deze verdenkingen, waaronder een eerdere veroordeling en een lopend strafrechtelijk onderzoek. Appellant vorderde een verklaring voor recht dat deze informatieverstrekking onrechtmatig was en eiste vergoeding van schade.
De rechtbank wees de vorderingen af en het hof bekrachtigde dit vonnis. Het hof oordeelde dat de verdenking op het moment van de brief serieus en rechtmatig was, en dat de Staat een zwaarwegend belang had om de werkgever te informeren gezien de aard van het bedrijf en de functie van appellant. Het gebruik van het woord 'bewijsbaar' was onjuist, maar dit leidde niet tot onrechtmatigheid of schade.
Verder was het niet nodig dat het OM eerst een definitief strafvonnis afwachtte voordat de werkgever werd geïnformeerd. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst was het gevolg van meerdere factoren, niet alleen de brief. Appellant kreeg geen vergoeding van buitengerechtelijke kosten, en werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.