ECLI:NL:GHDHA:2023:1940
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde en afwijzing vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende, eigenaar van een bedrijfsgebouw bestaande uit opslag- en kantoorruimtes, stelde dat de WOZ-waarde te laag was vastgesteld en vorderde een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Heffingsambtenaar stelde de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2019 vast op € 595.000, gebaseerd op een waarderapport met vergelijkbare objecten en een huurwaardekapitalisatiemethode. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigde dit oordeel na hoger beroep. Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan en dat de huurwaarden en kapitalisatiefactoren adequaat waren toegepast.
Met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade stelde het Hof vast dat de redelijke termijn met circa drie maanden was overschreden. Echter, bijzondere omstandigheden ontbraken, mede omdat de coronacrisis niet leidde tot een verlenging van de termijn in deze zaak. Bovendien was in de volmacht geregeld dat alle proceskostenvergoedingen, inclusief immateriële schade, rechtstreeks aan de gemachtigde werden uitgekeerd, waardoor belanghebbende geen persoonlijke spanning en frustratie hoefde te worden gecompenseerd.
Daarom wees het Hof het verzoek om vergoeding van immateriële schade af en bevestigde het de eerdere uitspraken. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de WOZ-waarde niet te laag is vastgesteld en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.