Belanghebbende, eigenaar van een woning, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en de daarbij behorende aanslag onroerende-zaakbelastingen voor 2020. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank wees het beroep af. Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het gerechtshof Den Haag.
De procedure duurde meer dan twee jaar en twee maanden, waarbij de rechtbank de redelijke termijn met vier maanden verlengde vanwege coronamaatregelen. Het hof oordeelde echter dat de uitbraak van het coronavirus niet in algemene zin een bijzondere omstandigheid vormt die een verlenging rechtvaardigt, tenzij partijen waren uitgenodigd voor een zitting in de periode dat gerechtsgebouwen gesloten waren, wat hier niet het geval was.
Het hof vernietigde het vonnis voor zover het de vergoeding van immateriële schade betrof, kende een vergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten en griffierecht. Er vond geen zitting plaats, omdat partijen geen mondelinge behandeling wensten.