ECLI:NL:GHDHA:2023:1110
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op inkomensafhankelijke combinatiekorting wegens niet voldoen aan inschrijvingseis
Belanghebbende had voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting ontvangen waarbij zij toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack) had verzocht. De Inspecteur weigerde deze korting toe te kennen omdat belanghebbende niet voldeed aan de wettelijke inschrijvingseis: zij stond niet op hetzelfde adres als haar kinderen ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP).
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en veroordeelde de Staat tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Het Hof bevestigde dat de inschrijvingseis een harde voorwaarde is voor de iack en dat het feitelijk samenwonen op een ander adres dan waar men staat ingeschreven niet volstaat.
Belanghebbende voerde aan dat de strikte toepassing van de inschrijvingseis in haar situatie onrechtvaardig en in strijd met het evenredigheidsbeginsel zou zijn, mede gezien maatschappelijke ontwikkelingen na de Toeslagenaffaire. Het Hof oordeelde echter dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze eis en dat de rechter niet bevoegd is hiervan af te wijken. Ook verwees het Hof naar eerdere jurisprudentie waarin uitzonderingen alleen werden gemaakt bij onmogelijkheid om aan de inschrijvingseis te voldoen, wat hier niet het geval was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting wegens niet voldoen aan de inschrijvingseis.