Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 15 maart 2022
[appellant] ,
NN Personeel B.V.,
Waar de zaak over gaat
Het procesverloop in hoger beroep
De feiten
De beoordeling
“(…) Je daadwerkelijke reistijd wordt pas begin december berekend als de nieuwe dienstregelingen bekend zijn. Als jouw reistijd op peildatum 10 december 90 minuten of korter is, of jouw reistijd neemt niet toe, dan kun je geen beroep doen op de keuzemogelijkheid en volg je het werk naar Arnhem. Je definitieve keuze hoef je dus pas begin december door te geven. Je krijgt hier tegen die tijd bericht over. (…)”
‘om heroverweging van de beslissing voor mij specifiek van de wijziging van de peildatum en in mijn geval de peildatum van 10 december 2019 te hanteren, zodat ik alsnog binnen de regeling van het sociaal kader val of er rekening gehouden wordt met de hardheidsclausule van het sociaal kader plan’. [appellant] heeft niet betwist dat zijn reistijd, berekend op de door NN voorgeschreven wijze, op 17 december 2019 niet langer was dan 90 minuten.
primairen
subsidiair)dat NN wordt veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] onder dwang van het vonnis in eerste aanleg aan NN heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling tot aan de datum der algehele voldoening, met veroordeling van NN in de kosten van de procedure in beide instanties met wettelijke rente als nader omschreven aan het slot van de memorie van grieven.
definitievepeildatum noemt, maar - zoals gezegd - daarbij uitdrukkelijk vermeldt dat de daadwerkelijke reistijd pas begin december wordt berekend als de nieuwe dienstregelingen bekend zijn. [appellant] heeft op grond van deze verklaringen van NN er dus niet van mogen uitgaan dat 10 december 2019 peildatum zou blijven als de nieuwe dienstregelingen op die datum nog niet waren ingegaan, zoals het geval is geweest.