ECLI:NL:GHDHA:2022:2758
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep inzake WOZ-waarde en proceskostenvergoeding woning in torenflat
Belanghebbende, eigenaar van een torenflatwoning, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerende-zaakbelastingen voor 2020. De Heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €304.000 en verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de Rechtbank, die eveneens het beroep ongegrond verklaarde.
De gemachtigde van belanghebbende had volmacht om namens hem rechtsmiddelen in te stellen. Tussen de gemachtigde en de Heffingsambtenaar waren werkafspraken gemaakt waarbij werd afgezien van fysieke hoorzittingen en het aan de hoorzitting gekoppelde inzagerecht. Belanghebbende stelde dat hierdoor zijn inzagerecht was geschonden en dat hij niet alle relevante stukken had ontvangen om de WOZ-waarde te controleren.
Het Hof oordeelde dat de gemaakte werkafspraken rechtsgeldig waren en dat het inzagerecht niet was geschonden. De Heffingsambtenaar had het taxatieverslag aan de gemachtigde verstrekt en beschikte niet over de gevraagde KOUDV- en liggingsfactoren. Het hoger beroep werd ontvankelijk verklaard omdat belanghebbende belang had bij de proceskostenvergoeding, ondanks de no cure no pay-overeenkomst met de gemachtigde.
Uiteindelijk bevestigde het Hof de uitspraak van de Rechtbank dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.