Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 25 april 2013, nr. 12/490, betreffende een beslissing inzake de kosten van behandeling van het bezwaar.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Eindhoven opgelegd, die na bezwaar werd verminderd tot nihil. De heffingsambtenaar kende een vergoeding toe voor de kosten van bezwaarbehandeling. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze vergoeding niet-ontvankelijk omdat een nieuwe machtiging, die na de uitspraak op bezwaar was verstrekt, ontbrak. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en handhaafde deze niet-ontvankelijkheid.
In cassatie klaagde belanghebbende terecht dat de rechtbank en het hof ten onrechte een nieuwe machtiging verlangden die dateert van na de uitspraak op bezwaar, terwijl een eerdere machtiging van vóór de uitspraak voldoende was. De Hoge Raad overwoog dat uit de overgelegde machtiging bleek dat de gemachtigde bevoegd was om het beroep in te stellen en dat er geen aanwijzingen waren dat deze bevoegdheid was geëindigd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. Tevens werd het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep werd ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een nieuwe machtiging; het arrest van het hof is vernietigd en de zaak verwezen.