ECLI:NL:GHDHA:2022:2757
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep inzake WOZ-waarde en proceskostenvergoeding woning Den Haag
Belanghebbende is eigenaar van een etage-portiekflat in Den Haag en heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2020. Na een ongegrondverklaring van het bezwaar door de heffingsambtenaar en de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het gerechtshof.
In het hoger beroep stond centraal de ontvankelijkheid van het beroep en de vraag of de heffingsambtenaar in de bezwaarfase alle relevante stukken had verstrekt, waaronder het taxatieverslag en aanvullende gegevens over VvE-reserves en indexeringscijfers. Het hof oordeelde dat de gemachtigde van belanghebbende bevoegd was om het hoger beroep in te stellen en dat belanghebbende een belang had bij het hoger beroep, ook al was de WOZ-waarde niet langer in geschil.
Verder stelde het hof vast dat de gemaakte werkafspraken tussen de heffingsambtenaar en de gemachtigde inhielden dat er geen fysieke hoorzitting werd gehouden en dat het inzagerecht aan de hoorzitting was gekoppeld. Dit betekende geen schending van artikel 7:4 Awb Pro. Ook had de heffingsambtenaar voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40 Wet Pro WOZ door het taxatieverslag aan de gemachtigde te verstrekken. Gegevens over indexeringscijfers waren niet beschikbaar en hoefden niet te worden verstrekt.
Het hof concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en dat het hoger beroep ongegrond was. Tevens zag het hof geen aanleiding tot toekenning van proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd zonder toekenning van proceskostenvergoeding.