CSW vorderde vernietiging van arbitrale vonnissen op grond van het niet naleven van een mediationclausule en onregelmatigheden in de samenstelling van het scheidsgerecht. Het hof oordeelde dat het arbitragebeding geen bindende verplichting tot mediation bevatte en dat de arbiter terecht was benoemd, ook al was de drie maanden termijn niet volledig verstreken.
De procedure betrof een geschil tussen CSW en PPSB over een koopovereenkomst en een lening, waarbij partijen een arbitragebeding met mediationclausule hadden opgenomen. CSW stelde dat mediation eerst moest worden geprobeerd alvorens arbitrage mogelijk was, en dat de arbiterprematuur was benoemd.
Het hof stelde vast dat het arbitragebeding door uitleg geen afdwingbare mediationverplichting inhield en dat de voorzieningenrechter bevoegd was om een arbiter te benoemen gezien de proceshouding van CSW. De vernietigingsgronden faalden, waardoor het verzoek tot vernietiging werd afgewezen en CSW in de kosten werd veroordeeld.