Uitspraak
Tussenuitspraak van 30 september 2021
[X N.V.] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Belastingaanslagen, boetebeschikkingen, bezwaar en beroep in eerste aanleg
- een interne e-mail van 22 november 2016 met drie bijlagen;
- een interne e-mail van 25 november 2016 met daarin een verslag van een telefoongesprek;
- een interne e-mail van 27 november 2016 met een akkoord en bevestiging van voormeld telefoongesprek;
- een interne e-mail van 6 december 2016 met bijlage;
- een interne e-mail van 7 december 2016 en de doorzending daarvan op 8 december 2016;
- een intern memo aan de directeur-generaal van de Belastingdienst (DGBel) van 7 december 2016.
Toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb in hoger beroep
- Alle stukken die betrekking hebben op de procedure met betrekking tot het toestemmingsvereiste, waaronder in ieder geval het memo met het verzoek om toestemming voor het opleggen van de vergrijpboete en het/de toestemmingsbesluit/en inclusief de motivering;
- Het verslag van de bespreking van 17 februari 2014 waarnaar wordt verwezen in de e-mail van 8 januari 2014 van Inspecteur [Q] aan Inspecteur [M] ; en
- Een reactie op de vraag of het op grond van het recht van Guernsey mogelijk is de Limiteds te laten herleven.
- Een reactie op de vraag of het op grond van het recht van Guernsey mogelijk is de Limiteds te laten herleven; en
- Een specificatie van de kosten van de gemachtigde van belanghebbende die betrekking hebben op de procesvertegenwoordiging van belanghebbende.
zie het onder 3.6 opgenomen overzicht].
Beoordeling
waaronderhet memo met dat verzoek om toestemming voor het opleggen van de vergrijpboeten en het (de) toestemmingsbesluit(en), een en ander met inbegrip van de motiveringen van het verzoek en die besluiten;
ofwelbesluiten zijn die (mede) aan de vergroepboeten, die aan belanghebbenden zijn opgelegd, ten grondslag liggen,
ofwelbinnen de Belastingdienst zijn uitgewisseld ter voorbereiding van deze besluiten. De opvatting van de Inspecteur dat alleen stukken die “relevant zouden kunnen zijn voor de onderhavige procedures, derhalve alle stukken waaruit [blijkt] dat de interne zorgvuldigheidprocedure op correcte wijze [is] gevolgd” op de zaak betrekking hebbende stukken zijn en dat interne correspondentie die “in een meer indirect verband [staat] tot de gegeven toestemming” niet als op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan te merken, vindt geen steun in de wet. De geheimhoudingskamer deelt haar niet. Zij voegt hieraan nog toe dat het aan de zetel die in de hoofdzaak oordeelt is om te beoordelen of de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
Beslissing
- beslist als is overwogen onder 4.17;
- verzoekt de Inspecteur binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de geheimhoudingskamer te berichten of hij bereid is de onder 3.6 genoemde stukken – voor zover hij onbeperkte kennisneming daarvan tot nog toe heeft geweigerd – alsnog aan belanghebbende te verstrekken, in geschoonde vorm zoals hiervoor bepaald onder 4.13, en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van twee weken;
- verzoekt belanghebbende binnen twee weken na de verzending van de tussenuitspraak geheimhoudingskamer schriftelijk mee te delen of zij erin toestemt dat de zetel die in de hoofdzaken beslist, mede op grondslag van de onder 3.6 genoemde (ongeschoonde) stukken uitspraak zal doen;
- verstaat dat zij de zaak, nadat partijen haar in vorenbedoelde zin hebben geïnformeerd, of - zo dit eerder is - nadat twee weken sinds de dag van verzending van deze tussenuitspraak zijn verstreken, naar de meervoudige kamer van het Hof zal verwijzen.