Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 2 juni 2020
[appellant],
[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
Gerechtshof Den Haag
In deze huurzaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter waarin zijn vordering tot ontruiming van de woning werd afgewezen. Tijdens de procedure heeft appellant aangegeven de woning aan een derde te hebben verkocht en het hoger beroep te willen intrekken wegens gebrek aan belang.
Het hof heeft vastgesteld dat appellant geen belang meer heeft bij de vordering tot ontruiming, aangezien de woning inmiddels is ontruimd door geïntimeerden. De kantonrechter kon in kort geding niet vaststellen wie feitelijk in de woning woonde, omdat partijen tegenstrijdige verklaringen hadden over de bewoning en het huurcontract.
Het hof oordeelt dat het vonnis van de kantonrechter terecht is gewezen en bekrachtigt dit. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, bestaande uit griffierecht en advocaatkosten volgens het liquidatietarief. Een veroordeling in de werkelijke proceskosten wordt niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen wegens gebrek aan belang en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.