Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 14 juli 2020
Nielsen Vis B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als winkelruimte
alle vorderingen uit eerste aanleg alsnog toewijsten, voor wat betreft vordering sub (viii), uit het feit dat grieven 1 en 2 zich juist richten tegen gedeeltelijke afwijzing van die vordering (de kantonrechter heeft deze boetes gematigd). Wat betreft vordering (vii) voegt het hof daaraan toe dat er geen enkel aanwijzing is dat HVH deze vordering niet handhaaft – in zoverre heeft zij dus in feite het oog op bekrachtiging van het vonnis.
eersteen
tweedegrief komt HVH op tegen het oordeel van de kantonrechter over de duur van de periode waarin de pluche speelgoeddieren in het gehuurde zijn verkocht; volgens HVH zijn in ieder geval over de periode van 19 mei 2018 tot en met 28 mei 2018 boetes verbeurd. Voorts betwist zij dat de opbrengst aan de Stichting Kinderen Kankervrij zou toekomen en klaagt zij dat de kantonrechter de boetes ten onrechte heeft gematigd zodat volgens HVH het volledige bedrag van € 3.500,00 toegewezen moet worden. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof is van oordeel dat, ook indien er van uit moet worden gegaan dat de vitrinekast met pluche speelgoeddieren langere tijd in het gehuurde heeft gestaan, dit niet kan leiden tot een hoger bedrag dan toegewezen door de kantonrechter. Voor de bevoegdheid tot matiging van de boete in de zin van artikel 6:94 BW Pro geldt dat de rechter terughoudend dient te zijn. Volgens vaste rechtspraak is matiging alleen aan de orde als onverkorte toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daardoor onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Met de plaatsing van een (afgesloten) vitrine met slechts enkele speelgoeddieren en een bordje waarop is aangegeven dat het ging om verkoop voor een goed doel, kan niet worden aangenomen dat hier sprake is van een structurele uitbreiding van het assortiment met andere producten dan vis. Gesteld noch gebleken is dat HVH door deze handelwijze enige schade heeft geleden. Als onvoldoende weersproken staat ook vast dat er geen speelgoeddieren zijn verkocht zodat Nielsen hierbij ook geen financieel belang heeft gehad. Naar het oordeel van het hof leidt onverkorte toepassing van het boetebeding onder deze omstandigheden tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat. Het hof verenigt zich dan ook met het oordeel van de kantonrechter. De grieven falen.
derdegrief komt HVH op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de tekortkomingen de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigen en tegen afwijzing van de vordering tot ontbinding en ontruiming. In de toelichting op deze grief heeft HVH aangevoerd dat de huurtermijnen over de maanden april, mei en juni 2018 pas na het voeren van een kort geding en bodemprocedure zijn betaald. Lopende de procedure heeft Nielsen de huur over de maanden juni en juli 2019 niet op tijd betaald. Nielsen heeft daarbij twee boetes van € 300,00 verbeurd die zij onbetaald laat. Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft HVH daaraan nog toegevoegd dat ook de huur en/of de boetes over de maanden juli 2019, september 2019 en januari tot en met juni 2020 niet, te laat of niet volledig zijn betaald.