ECLI:NL:GHDHA:2020:1257
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens ontbreken pluraliteit schuldeisers
In deze zaak hebben appellanten, erfgenamen van erflater, bij de rechtbank een verzoek ingediend om geïntimeerde failliet te verklaren wegens het niet voldoen van meerdere geldleningen. De rechtbank wees dit verzoek af omdat niet voldaan was aan het vereiste van pluraliteit van schuldeisers, een noodzakelijke voorwaarde voor faillietverklaring.
Appellanten kwamen in hoger beroep en stelden dat de verdeling van de vordering uit de nalatenschap tussen hen als erfgenamen leidde tot meerdere schuldeisers. Zij voerden aan dat er vier verschillende geldleningen met aparte overeenkomsten waren en dat er bovendien een steunvordering van een derde partij bestond. Geïntimeerde betwistte dit en stelde dat de steunvordering inmiddels was voldaan en dat de vorderingen feitelijk één schuld betroffen.
Het hof oordeelde dat de vereiste pluraliteit van schuldeisers niet is aangetoond. De verdeling van de vordering uit de nalatenschap leidt niet tot meerdere schuldeisers, aangezien de vorderingen voortvloeien uit één schuld van geïntimeerde aan erflater. De steunvordering was voldaan, waardoor geen sprake was van meerdere schuldeisers die niet betaald zijn. Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de rechtbank en veroordeelde appellanten in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het faillissementsverzoek wegens het ontbreken van pluraliteit van schuldeisers.