Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest in kort geding van 23 juni 2020
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“In dit geval acht ik het voldoende zwaarwegend om af te wijken van het advies van het gerecht omdat ik van oordeel ben dat er geen sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 2 van Pro de Gratiewet. De kort geding rechter heeft in de eerste jaren over een mogelijke verzwaring van de straf uitgesproken dat het om de tenuitvoerlegging gaat en dit geen strafverzwaring is. Er zijn mij verder geen bijzondere omstandigheden bekend die maken dat een gratieverlening geboden is. Ook het nadelige gevolg door de wetswijziging maakt dit niet anders.”
grief 1komt de Staat op tegen de door de voorzieningenrechter gehanteerde maatstaf. Volgens de Staat heeft de voorzieningenrechter ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat afwijzing van het rechterlijk advies slechts mogelijk is indien zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen.
Grief 2is gericht tegen “de gehele beoordeling van de voorzieningenrechter”. De Staat voert op verschillende gronden aan dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die afwijking van het rechterlijk advies rechtvaardigen. Met
grief 3komt de Staat op tegen de uitgesproken veroordeling als zodanig.
Het moet daarbij gaan om (nieuwe) feiten of omstandigheden waarmee het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd in zijn advies over het gratieverzoek geen rekening heeft gehouden. Indien van een ander standpunt wordt uitgegaan, zou de minister immers zijn mening in plaats van die van het adviserend gerecht kunnen stellen en dat is, zoals zojuist overwogen, door de wetgever niet beoogd.”Die passage heeft de voorzieningenrechter overgenomen uit een arrest van dit hof van 6 mei 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:1167). Dat arrest is gewezen in een zaak van een tot een levenslange gevangenisstraf veroordeelde persoon die reeds meerdere gratieverzoeken had ingediend die steeds waren afgewezen. Of die passage steeds gelding heeft kan thans in het midden blijven omdat dat voor deze zaak niet doorslaggevend is. Ook de voorzieningenrechter heeft geen (doorslaggevend) belang gehecht aan de vraag of zich na het advies van het Hof Arnhem-Leeuwarden nieuwe feiten hebben voorgedaan. Het hof zal in het navolgende uitgaan van het hierboven in 6.1-6.3 weergegeven kader. Daartoe behoort dat het advies van het gerecht leidend, maar niet beslissend is. Grief 1 kan daarom verder onbesproken blijven.
temager. Dat er, zoals de Staat in zijn memorie van grieven uiteen heeft gezet, goede gronden zijn of waren om het gratieverzoek af te wijzen, is mogelijk, maar die gronden hadden in de motivering van de afwijzing behoren te staan en kunnen niet pas in een kort geding worden aangevoerd. De voorzieningenrechter heeft voorts terecht overwogen dat de maatstaf die in de gratiebeslissing is toegepast, te weten dat geen bijzondere omstandigheden bekend zijn die maken dat een gratieverlening geboden is, onjuist is omdat de Minister nu juist moet motiveren dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat afwijking van het advies van het Hof Arnhem-Leeuwarden gerechtvaardigd is. Die zijn in de gratiebeslissing niet uiteen gezet.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 12 december 2019;
- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 332,- aan verschotten en € 1.074,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.