Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
mondeling arrest van 6 mei 2019, zoals schriftelijk uitgewerkt op 14 mei 2019
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)
[naam 1] ,
Het geding
De feiten
Afspraken rond beëindiging van de behandeling
Horizonbepaling gratieprocedure
Onderzoeken
(…)
Behandelduur
In mijn brief van 16 maart 2017 heb ik u laten weten dat de behandelingsduur van een gratieverzoek gemiddeld zes maanden is. In uw geval zal deze termijn, gezien de genoemde onderzoeken, langer zijn.”
E. Advies
“Inschatting risico’s
Risico op recidive
Het risico op recidive wordt ingeschat als laag.
Risico op letselschade
Het risico op letselschade wordt ingeschat als laag.
Risico op onttrekking
Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag.
Toelichting
zo schrijft [de kliniek] .
Advies
Op basis van de inschatting van het recidiverisico acht de reclassering geen bijzondere voorwaarden geïndiceerd bij eventuele gratie.”
“Beoordeling
Op grond van het al voorgaande wordt negatief op uw gratieverzoek beslist. Daarbij is allereerst betrokken dat het hof positief heeft geadviseerd. (...) Het advies van het hof weegt zwaar in de beslissing en het is in beginsel leidend. Het advies is echter niet bindend. Bij de beslissing om in afwijking van het positieve advies van het hof geen gratie te verlenen zijn, kort weergegeven, de redenen voor het OM om negatief te adviseren betrokken, het ontbreken van een slachtofferonderzoek, de informatie die wel bekend is over de toestand van de slachtoffers alsmede het gegeven dat u al zeer veel vrijheden hebt en in het kader van transmuraal verlof volledig buiten [de kliniek] verblijft, alsmede dat er nog een kanttekening te plaatsen is bij het recidiverisico. Een en ander is zodanig uitzonderlijk en weegt zodanig zwaar dat ik heb besloten af te wijken van het advies van het hof. De overwegingen worden hierna toegelicht.
De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg
De vorderingen en de grieven in hoger beroep
Beoordeling van het hoger beroep
grief 1stelt de Staat – samengevat – dat de onderhavige zaak niet geschikt is voor een oordeel in kort geding, althans dat gelet op de onomkeerbare gevolgen van de beslissing en de grote maatschappelijke repercussies daarvan, het belang van [geïntimeerde] onvoldoende spoedeisend is om toewijzing van zijn vorderingen te kunnen rechtvaardigen. Het hof oordeelt hierover als volgt.
grief 2aan dat in het hofadvies weliswaar is geadviseerd om [geïntimeerde] gratie te verlenen, maar dat de in het besluit tot afwijzing van het gratieverzoek genoemde bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat van het hofadvies wordt afgeweken. Volgens de Staat heeft de voorzieningenrechter miskend dat de in de brief van 28 februari 2019 genoemde gronden voor weigering van het gratieverzoek in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd, en dat deze gronden – bezien in onderlinge samenhang – wel degelijk voldoende zwaarwegend zijn om van het hofadvies af te wijken. Het gaat volgens de Staat in de afwijzing van het gratieverzoek in de kern om de situatie van de slachtoffers en nabestaanden, die volgens de laatst beschikbare informatie schrijnend en uitzonderlijk is, de kanttekening die bij het recidiverisico valt te plaatsen, mede op basis van recente informatie van de kliniek, en daartegenover het gegeven dat [geïntimeerde] door het transmurale verlof buiten de kliniek leeft en nog slechts beperkt met beperkingen van zijn vrijheid wordt geconfronteerd, en dat zijn situatie dus bepaald niet zonder perspectief en uitzichtloos is.
“hop geen moment sprake [is] van potentieel risicovol gedrag of verhoging van het recidiverisico”(bladzijde 19, eerste zin). Daarnaast verdient aandacht dat in het evaluatierapport het vrijwillig steunnetwerk van [geïntimeerde] bij voorwaardelijke gratiëring ruimschoots voldoende is geacht. Het evaluatierapport lijkt dus ook inhoudelijk onvoldoende grond te bieden om het recidiverisico anders te beoordelen dan in het hofadvies is gebeurd.
grief 3voert de Staat ten slotte aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte de primaire vordering heeft toegewezen zoals in het dictum geformuleerd en de Staat ten onrechte in de kosten heeft veroordeeld. Het hof ziet zich daarmee gesteld voor de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, de vorderingen van [geïntimeerde] voor toewijzing in aanmerking komen. [geïntimeerde] vordert primair en subsidiair dat de Staat zal worden veroordeeld om op de voet van artikel 9 Gratiewet Pro een voordracht te doen aan de Kroon, inhoudende dat [geïntimeerde] onvoorwaardelijk gratie zal worden verleend.