Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaak- en rolnummer rechtbank : 5394286 RL EXPL 16-26510
Arrest d.d. 19 februari 2019
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
(hieronder een visualisatie, prod. 11 bij MvG, om een indruk te geven; BD8 is windturbine 8 en BD9 is windturbine 9)
ophet terrein van het themapark, voor zover het geven van die toestemming en/of het vestigen van dat (beperkt) zakelijk recht de strekking heeft OSK of een ander toe te staan of mogelijk te maken een windturbine te realiseren, te behouden, te exploiteren en te onderhouden;
op enig terrein gelegen direct naasthet themapark, voor zover het geven van die toestemming en/of het vestigen van dat (beperkt) zakelijk recht de strekking heeft het OSK of een ander toe te staan of mogelijk te maken een windturbine te realiseren, te behouden, te exploiteren en te onderhouden;
vordering in appel gewijzigd. De hierboven weergegeven vorderingen onder A. tot en met E. heeft zij gehandhaafd, maar de vordering
onder F.heeft zij laten vallen en in plaats daarvan vordert zij thans
subsidiaireen verklaring voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor de door Neeltje Jans te lijden schade, indien de windturbines wel gerealiseerd en geëxploiteerd mogen worden en dat de Staat gehouden is deze schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Zij heeft daartoe aangevoerd (memorie van antwoord onder 56 en 65) dat de Staat gelet op de algemene bepalingen bij de met de Staat gesloten overeenkomsten gehouden is een financiële compensatie te bieden. Neeltje Jans heeft erop gewezen dat deze vordering een wijziging is ten opzichte van de vordering in eerste aanleg en dat de vordering alleen beoordeeld dient te worden indien en voor zover de grieven van de Staat slagen en dit leidt tot een vernietiging van het eindvonnis.
tijdelijkte gedogen, zoals – in het door Neeltje Jans gegeven voorbeeld – bij onderhoud aan de Deltawerken, gaat niet op. Deze uitleg verhoudt zich niet met de tekst van de gedoogbepaling en Neeltje Jans heeft niets aangevoerd op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat zij de bepaling redelijkerwijs toch zo mocht uitleggen. Meer in het algemeen slaagt niet de stelling dat Neeltje Jans ervan uit mocht gaan dat de gedoogplicht uitsluitend betrekking heeft op werken of werkzaamheden die verband houden met de Deltawerken. De gedoogbepaling is algemeen geformuleerd en er is geen reden voor een zodanige beperkte uitleg. Integendeel, toen de overeenkomsten medio jaren negentig werden gesloten (Neeltje Jans is in 1996 opgericht), stonden er al windturbines op het werkeiland en het werkeiland is door zijn open vlaktes bovendien een logische plek voor het opwekken van windenergie. Zoals de Staat heeft opgemerkt, voorzagen diverse plannen in de uitbreiding van de opwekking van windenergie: het Beleidsplan Oosterscheldekering (1995), de Beleidsnota Windenergie (1993) en het provinciale streekplan Zeeland voor Windenergie (25 januari 1994), terwijl in december 2005, ruim 7 jaar voor het sluiten van de laatste gebruiksovereenkomst in 2012, het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012 ter inzage is gelegd, welk plan voorzag in de aanwijzing van de stormvloedkering als concentratiegebied voor de plaatsing van windturbines. Neeltje Jans benadrukt de vele investeringen die volgens haar alle met medeweten van de Staat zijn gedaan, maar van belang is dat tot aan 2000 een subsidierelatie bestond en dat het haar eigen keuze was om in de jaren daarna het accent steeds verder te verleggen van informatievoorziening naar amusement en recreatie en in verband daarmee investeringen te doen. Neeltje Jans heeft tijdens het pleidooi tot slot nog gesteld dat de Staat de gedoogbepalingen tijdens de onderhandelingen zelf uitdrukkelijk in het kader van de Deltawerken heeft geplaatst, maar deze – door de Staat betwiste – stelling is niet nader onderbouwd en Neeltje Jans heeft overigens ook geen bewijsaanbod gedaan op dit punt.
“de parkbezoekers ernstig hindert bij het parkbezoek, ook indien de wieken van de windturbine worden weggedraaid in de richting zoals door de Staat is weergegeven”. Meer in het algemeen heeft Neeltje Jans niet onderbouwd dat sprake zal zijn van inkomensschade, nog afgezien van het feit dat OSK heeft toegezegd om “optredende inkomensschade (…) bij noodzakelijke gehele of gedeeltelijke afsluiting” te vergoeden (productie 12 dagvaarding, overzicht maatregelen: onder 10).
niet aannemelijk gemaakt dat de toekomstige negen windturbines tot een onaanvaardbare daling van de bezoekersaantallen van haar themapark zullen leiden. Hierbij betrekt de Afdeling dat de reeds bestaande en goed zichtbare windturbines op Neeltje Jans niet tot een daling van de bezoekers van het themapark hebben geleid en dat de bevindingen in het ZKA-rapport zijn gebaseerd op meerdere verifieerbare onderzoeken naar de effecten van windturbines op toerisme. Voorts zijn de conclusies in het Van Assendelft-rapport ten aanzien van geluidhinder en slagschaduw en het verwachte effect daarvan op bezoekers ten onrechte niet gebaseerd op de bevindingen hieromtrent in het MER of andere onderzoeksrapporten, waardoor de getrokken conclusies onvoldoende zijn gestaafd met feiten. Overigens blijkt uit de in het Van Assendelft-rapport vermelde reactie van de directeur van Bobbejaanland dat de aanwezige windturbine in dat attractiepark de parkbeleving niet schaadt.”