Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[dochter een] ,
2.[dochter twee] ,
3.[dochter drie] ,
6. Ik sluit mijn zoon [volgt naam] , (…), uit als erfgenaam in mijn nalatenschap.
7. Ik legateer, niet vrij van rechten en kosten, aan mijn zoon [volgt naam] voornoemd, af te geven binnen zes maanden na mijn overlijden, het één/vierde deel van de door mij na te laten voorwerpen van inboedel, het woord inboedel op te vatten als bedoeld in artikel 3:5 van Pro het Burgerlijk Wetboek en met inbegrip van de in dat artikel bedoelde uitzonderingen.
8. Onder de last van gemelde legaten, na te melden last en het hierna nog te vermelden legaat, benoem ik tot mijn enige erfgenamen, gezamenlijk en voor gelijke delen, mijn andere kinderen, te weten:
HOOFDSTUK 3. LAST EN LEGAAT VAN VRUCHTGEBRUIK
1. Ik leg mijn genoemde erfgenamen de last op om bij mijn overlijden een bedrag, gelijk aan hetgeen mijn erfgenamen meer blijken te hebben ontvangen dan zij zouden hebben ontvangen bij vererving volgens het versterferfrecht (waarbij mijn genoemde zoon mede-erfgenaam zou zijn), af te zonderen. Gemeld legaat van inboedel dient in de berekening te worden betrokken. Bedoelde bedragen dienen te worden gestort op één of meer afzonderlijke bankrekeningen. Het geheel wordt hierna genoemd: het fonds.
2. De verzorging van mijn genoemde zoon zal, indien en voor zover de kosten van verzorging niet voor rekening van de overheid of andere derden komen, moeten worden bekostigd uit de vruchten en voorzover nodig, uit het kapitaal van het fonds en wel krachtens na te melden legaat van vruchtgebruik aan mijn genoemde zoon. Mijn erfgenamen zijn uiteraard nimmer verplicht verder in de kosten van verzorging van mijn genoemde zoon bij te dragen dan hun aandeel in het fonds.
3. Ik legateer aan mijn genoemde zoon het vruchtgebruik van het fonds. Het door de legataris ter zake van zijn verkrijgingen uit mijn nalatenschap verschuldigde successierecht is te voldoen uit het fonds.
“Op 22 juli 2004 zond ik u de in kopie bijgaande brief. Een inhoudelijke reactie mocht wederom uitblijven. Hierbij vernietigt cliënt de verdeling omdat hij is benadeeld.”
- [dochter een] in haar hoedanigheid van executeur veroordeeld om aan de bewindvoerster ten behoeve van [de zoon] te betalen een bedrag van € 58.168,-;
- verstaan dat de bewindvoerster voormeld bedrag voor [de zoon] zal beheren met inachtneming van de toepasselijke bepalingen uit het testament van erflater;
- [dochter een] in haar hoedanigheid van executeur veroordeeld om aan de bewindsvoerster binnen veertien dagen na betekening van het vonnis alle inlichtingen over de nalatenschap van erflater te verschaffen en inzage in en afschrift van alle bescheiden met betrekking tot de nalatenschap te verschaffen, zoals bedoeld in r.o. 4.14, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat [dochter een] in verzuim is met de nakoming van deze verplichtingen met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 50.000,-.
: “…een bedrag, gelijk aan hetgeen mijn erfgenamen meer blijken te hebben ontvangen dan zij zouden hebben ontvangen bij vererving volgens het versterferfrecht (waarbij mijn genoemde zoon mede-erfgenaam zou zijn).”